Dit is de 278e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit Heijkoop, Jurgen van Teeffelen en Peter Beek het over:
Een carrière lang bewogen door bewegen
De één linksbenig en ijzersterk in de verdediging, de ander rechtsbenig en veel aanvallender. Frank en Ronald de Boer kwamen uit hetzelfde ei, en toch liep hun motoriek ver uiteen.
Hoe kan dat? En wat betekent het voor de manier waarop jij een nieuwe beweging aanleert? Peter Beek, hoogleraar coördinatiedynamica aan de Vrije Universiteit Amsterdam, onderzocht motorisch leren zijn hele loopbaan. Zijn antwoord zet het klassieke beeld op zijn kop.
Waarom twee broers met hetzelfde DNA anders bewegen
Een eeneiige tweeling deelt hetzelfde genetische materiaal. De ervaringen verschillen alleen vanaf de eerste dag, en volgens Beek zelfs daarvoor al. De ene baby ligt in stuitligging, de andere niet. De een krijgt een rammelaar, de ander een andere prikkel.
Die verschillen sturen hoe zenuwcellen uitgroeien en contact met elkaar maken. Twee identieke genenpakketten leveren dus vrijwel meteen twee verschillende zenuwstelsels op.
Mensen verschillen fundamenteel van elkaar, ook wanneer hun DNA gelijk is. Dat is geen detail, maar het vertrekpunt van alles wat daarna over motorisch leren en trainen valt te zeggen.
Hoe groot is het erfelijke deel dan? Beek houdt de vuistregel aan die gedragsgenetici voor allerlei eigenschappen vinden, ergens tussen de 40 en 60 procent. Wie de top haalt, heeft volgens hem meestal een dubbel of zelfs driedubbel voordeel. Een van nature hoge zuurstofopnamecapaciteit bijvoorbeeld, én een gunstige reactie op training, waardoor die capaciteit nog verder stijgt.
Daar wringt het bekendste getal uit de sportwereld. Anders Ericsson bracht in kaart hoe experts de top bereikten, en kwam uit op een spectrum van ongeveer 4.000 tot 10.000 uur oefenen. Malcolm Gladwell maakte daar in zijn boek Outliers één hard getal van, en sindsdien leidt de 10.000-urenregel een eigen leven.
Ericsson zelf probeerde de rol van genetica juist tot nul te reduceren. Dat is volgens Beek niet houdbaar. Het is een schoolvoorbeeld van hoe wetenschap in de vertaling naar de kroeg iets anders gaat betekenen. De Correspondent ontleedde de mythe van de 10.000 uren eerder al, en ook in de aflevering over slimmer trainen door afwisseling van sporten kwam hij langs.
Wat je eigenlijk leert als je een beweging leert
Dan de uitspraak waar het hele idee van motorisch leren op kantelt. Volgens Beek leer je helemaal geen bewegingen. Je leert welke oplossingen in een taakruimte succesvol zijn.
Dat klinkt theoretisch, maar het dartbord maakt het concreet. Meet je wat een darter doet, dan is bij elke worp iets anders: de hoogte, de snelheid, de hoek waaronder het pijltje loskomt, de kracht waarmee hij de shaft vasthoudt. Toch weet die darter direct of de worp goed was.
Wat hij heeft geleerd, is niet één beweging. Het is een gevoel voor welke combinaties werken en welke niet, gevoed door wat er na elke worp aan informatie terugkomt.
En vrijwel niets daarvan is te benoemen. Geen darter zegt dat hij net iets te veel gripkracht op zijn shaft had. Die kennis zit onder de waterlijn en is impliciet van aard.
Precies daar gaat het volgens Beek vaak mis tussen trainer en sporter. Een goede coach ziet haarscherp wat er niet klopt. De fout zit in de vertaalslag: wat de coach ziet, wordt te makkelijk omgezet in een instructie die niet aankomt in de belevingswereld van de sporter.
Soms werkt het wel. Zeg tegen een hardloper dat hij zijn blik rustig vooruit moet richten, en soms gebeurt dat meteen. Maar vaker landt zo’n aanwijzing niet, of maar heel even.
Beek ziet hetzelfde in het zwembad, waar hij de wetenschappelijke ondersteuning van InnoSportLab De Tongelreep en de KNZB coördineert. Over die wereld vertelde hij eerder in de aflevering over beter leren zwemmen.
EVI, het ezelsbruggetje voor motorisch leren
In zijn serie artikelen in Sportgericht vat Beek de alternatieven samen onder één naam: EVI. Het ezelsbruggetje komt van Hanno van der Loo, hoofdredacteur van dat blad, die de naam leende van een bekend reclamefiguur. EVI staat voor externe focus van aandacht, variabiliteit en impliciet leren.
De E komt uit het werk van Gabriele Wulf. Richt je aandacht niet op je lichaam, maar op het effect dat je met je beweging wilt bereiken. Waar komt het pijltje terecht? Hoe hoog gaat de bal over het net?
Zowel de prestatie als het leerresultaat is dan sterker, en het beklijft beter. Terwijl volgens Beek het overgrote deel van de aanwijzingen die trainers geven de aandacht juist naar binnen richt, naar de elleboog, de knie of de schouder.
Hoe dat in de praktijk uitpakt, liet hij zien bij een jeugdselectie trampolinespringers. De coaches wilden dat de springers hun bovenlichaam recht hielden. “Houd je romp recht” werkte niet.
Wat wel werkte: een pointer op het borstbeen, die een stip op de muur projecteerde. Zorg dat die stip een mooie rechte lijn omhoog trekt. Dat lukt alleen met een gestrekt bovenlijf, en ineens ging het wel.
Je doet het zelf ook, zonder erover na te denken. Gooi een propje papier naar de prullenbak naast je bureau, mis de eerste keer, en meestal zit het binnen twee of drie pogingen raak.
De V volgt daar logisch uit. Wie leert welke oplossingen succesvol zijn, moet ook ervaren wat níet werkt. Zonder variatie geen vergelijkingsmateriaal. Boksbewegingen of achteruitlopen in een hardlooptraining zijn daarom niet per se onzin, zolang ze binnen dezelfde taakruimte blijven.
Want die taakruimte is wel degelijk specifiek. Variatie is geen vrijbrief om maar wat te doen.
De I ten slotte is de reden dat dit alles ertoe doet op de dag dat het spannend wordt. Impliciet geleerde bewegingen zijn beter bestand tegen verval dan expliciet geleerde. Wie een techniek via allerlei regels heeft geleerd, valt onder mentale druk terug op die regels, en dat verstoort juist de automatische uitvoering.
Wie die regels nooit heeft geleerd, heeft daar geen last van.
Impliciet leren gaat volgens Beek vooral via beelden. Beweeg je racket langs de schouderzijde van de driehoek, in plaats van een uitleg over de rotatie van je romp en de stand van je elleboog.
Het kan ook via een cognitieve dubbeltaak, die je werkgeheugen met iets anders vult. Of door de omgeving te veranderen: zet het tennisnet een centimeter hoger zonder dat de speler het merkt, en zijn slag past zich vanzelf aan. De Nederlandse bewegingstheoreticus Carl Gordijn noemde dat landschappelijke aanwijzingen.
Waar de grens van variatie ligt
Er bestaat een beroemde video van kogelstoter Peter Valentiner, die zijn stoot op de meest onwaarschijnlijke manieren varieert. Op een gegeven moment ramt hij de kogel keihard de grond in.
Daar ligt voor Beek de demarcatielijn. De bedoeling was om de kogel zo ver mogelijk weg te stoten, en die stoot valt buiten de taakruimte. Zolang je binnen die ruimte blijft, is variatie prima.
Het niveau van de sporter bepaalt bovendien hoeveel je eraan hebt. Heb je nog nooit een kogel gestoten, dan levert alle variatie weinig op. Dan moet er eerst een basistechniek staan.
Bij gevorderden werkt het juist andersom. Beek verwijst naar geoefende hoogspringers die vastliepen op hun niveau, hoe hard ze ook trainden, en die na een periode met differentiële leermethoden toch weer hoger sprongen.
Alsof de deken van oplossingen in het brein even werd opgeschud. Over die methode ging eerder een aflevering bij de Masters of Movement, over de kansen van differentieel leren.
Voor de theoretisch onderlegde luisteraar plaatst Beek nog een kanttekening bij de constraints-led approach. Daarin sluit je bewegingsoplossingen juist uit, bijvoorbeeld met een dakje waar een sprinter bij de start onderdoor moet. Dat is iets anders dan het idee van de taakruimte, waarin je die vrijheidsgraden juist wilt benutten. Twee visies op motorisch leren, die elkaar op dit punt bijten.
Wat het loopstijlenspectrum zegt over jouw loopstijl
Voor hardlopers wordt het hier concreet. Samen met Ben van Oeveren vatte Beek de biomechanische literatuur over hardlopen samen in één model. Twee variabelen bepalen daarin je loopstijl.
De eerste is je cadans, oftewel de lengte van je passen. De tweede is de duty factor: hoe lang je contact houdt met de grond, afgezet tegen de hele cyclus.
Daaruit rollen vijf stijlen. De Stick voor lopers die aan de grond geplakt lijken, de Bounce voor de zwevers met korte contacttijd, de Push voor de grote passen, de Hop voor de korte, en de Sit in het midden.
Het Zweedse bedrijf MotionMetrix mat via machine learning het looppatroon van meer dan 50.000 lopers en kwam op zes profielen. Opvallend genoeg lijken die sterk op het model van Van Oeveren. De Easy Strider komt daar het vaakst voor, net als de Sit in het Nederlandse model.
Is er dan een beste stijl? Nee, zegt Beek, en dat is geen ontwijkend antwoord. Er zijn minstens drie dingen die je tegen elkaar afweegt: je tijd, je loopeconomie en je blessurerisico. Welke het zwaarst weegt, verschilt per loper.
Wil je puur snelheid, dan zit je richting de bounce, bij MotionMetrix de Power Racer. Krachtige, korte afzet, mooi verticaal. Alleen hoort daar een verhoogd blessurerisico bij, vooral in het onderbeen.
Grote passen kennen een ander probleem. Die geven remkrachten bij elke landing, wat de economie niet ten goede komt en het risico verlegt naar de knie.
Wil je vooral heel blijven, dan zit je meer aan de kant van de hop, met kortere passen. Niet toevallig is dat de hoek waar ultralopers en veel vrouwelijke hardlopers terechtkomen. Over die afwegingen gingen eerder de afleveringen over schaven aan je loopstijl en over de ideale pasfrequentie bij hardlopen.
Kun je je loopstijl aanpassen met een oordopje?
Dan de vraag die elke hardloper stelt: kun je van de ene stijl naar de andere bewegen? Met promovendus Anouk Nijs onderzocht Beek precies dat.
Het gereedschap is een slim oordopje van het Asser bedrijf Dopple, met een versnellingsmeter en een gyroscoop erin. Uit die signalen zijn cadans, staplengte en duty factor betrouwbaar af te leiden. En het aardige aan een oordopje is dat het niet alleen meet, maar ook meteen iets terug kan geven.
De bijbehorende app heet Running Buddy en geeft tijdens het lopen een gewenste cadans of staplengte aan, via een ritme in je oor.
Dat akoestisch pacen blijkt te werken. Een hogere cadans bij dezelfde snelheid verlaagt de impactkrachten, en het opgelegde ritme verhoogt die krachten niet, zo lieten Nijs, Melvyn Roerdink en Beek zien in Gait & Posture. In een latere veldstudie bleken lopers ook buiten de loopband hun cadans en duty factor los van elkaar te kunnen aanpassen.
Belangrijk is wat het doel níet is. De onderzoekers schrijven geen ideaal patroon voor. Ze laten lopers hun eigen taakruimte verkennen.
Want niet iedereen doet dat uit zichzelf. Beek vertelt over een collega die pas na een tip van een bekende ontdekte dat meebewegen met zijn armen zijn hardlopen een stuk soepeler maakte.
De eerlijke slotnoot komt van Beek zelf. Het onderzoek is niet ver genoeg gevorderd om te zeggen of hardlopers er blijvend beter van worden zodra het oordopje uit gaat. De aanwijzing is er, het bewijs nog niet.
Praktische take-aways
Stuur op het effect, niet op je lichaam
Motorisch leren begint bij het effect van je beweging. Een aanwijzing over je knie, elleboog of romp landt zelden, een aanwijzing over wat je wilt bereiken vrijwel altijd.
Concreet: vertaal bij je volgende training elke technische aanwijzing die je jezelf geeft naar een zichtbaar effect buiten je lichaam, bijvoorbeeld “duw de grond achter je weg” in plaats van “strek je heup”.
Varieer, maar blijf binnen je taak
Variatie leert je welke oplossingen werken. Ze helpt alleen wanneer je al een basis hebt en wanneer je binnen de bedoeling van de taak blijft.
Concreet: bouw in je week één training in waarin je bewust met snelheid, ondergrond of ritme varieert, en laat het doel van de beweging daarbij ongemoeid.
Verken je loopstijl voordat je hem wilt verbeteren
Er is geen ideale loopstijl, wel een stijl die past bij jouw doel: een snelle tijd, zuinig lopen of blessurevrij blijven.
Concreet: kies eerst welk van die drie doelen dit seizoen voorgaat, en experimenteer daarna een paar rustige duurlopen lang met een iets hogere cadans om te voelen wat dat met je lopen doet.
Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:
1. Wat is motorisch leren precies?
Motorisch leren is het proces waarin je een beweging onder de knie krijgt. Volgens Peter Beek leer je daarbij niet één vaste beweging, maar leer je welke oplossingen binnen een taak succesvol zijn. Een darter gooit elke worp net iets anders, met een andere hoek, snelheid en gripkracht, en weet toch meteen of het goed was. Wat hij heeft geleerd, is dus geen bewegingspatroon maar een gevoel voor wat werkt. Het grootste deel van die kennis is impliciet en laat zich niet in woorden vangen.
2. Waarom werkt een aanwijzing van je trainer vaak niet?
Een goede coach ziet haarscherp wat er misgaat. Volgens Beek zit de fout in de vertaalslag daarna: wat de coach ziet, wordt te makkelijk omgezet in een instructie over het lichaam zelf, en die komt niet aan in de belevingswereld van de sporter. Soms landt zo’n aanwijzing wel, maar vaker niet, of maar heel even. Aanwijzingen die het effect van de beweging beschrijven werken beter, omdat de sporter daar zelf een oplossing bij kan zoeken.
3. Wat betekent EVI in de sport?
EVI is een ezelsbruggetje voor drie leermethoden die volgens Beek beter werken dan herhalen en expliciet instrueren. De E staat voor externe focus van aandacht: richt je op het effect van je beweging in plaats van op je lichaam. De V staat voor variabiliteit, want zonder variatie weet je niet welke oplossingen werken. De I staat voor impliciet leren, bijvoorbeeld via beelden of een aangepaste omgeving. Die drie versterken elkaar en zijn goed te combineren.
4. Welke loopstijl is het beste voor hardlopers?
Die bestaat niet, zegt Beek, en dat is geen ontwijkend antwoord. In het model dat hij met Ben van Oeveren maakte, bepalen je cadans en je duty factor je loopstijl. Welke stijl gunstig is, hangt af van wat je belangrijk vindt: een snelle tijd, een zuinige loopeconomie of een laag blessurerisico. Wil je snelheid, dan ga je richting korte contacttijden, met meer risico op onderbeenklachten. Wil je heel blijven, dan passen kortere passen beter.
5. Wat is de duty factor bij hardlopen?
De duty factor beschrijft hoe lang je voet contact maakt met de grond, afgezet tegen de duur van de hele pascyclus. Samen met je cadans bepaalt die volgens het model van Van Oeveren en Beek je loopstijl. Lopers met een lage duty factor zweven relatief lang en heten in dat model de Bounce. Lopers die juist lang aan de grond blijven, zijn de Stick. Beide variabelen zijn los van elkaar aan te passen, ook tijdens het lopen buiten.
6. Waarom klopt de 10.000-urenregel niet?
Anders Ericsson onderzocht hoe experts de top bereikten en vond een spectrum van ongeveer 4.000 tot 10.000 uur oefenen, geen vast getal. Malcolm Gladwell maakte daar in zijn boek Outliers één harde regel van, die daarna een eigen leven ging leiden. Ericsson wilde bovendien de rol van aanleg zo klein mogelijk maken, en dat is volgens Beek niet houdbaar. Wie de top haalt, heeft meestal een gunstige aanleg én een gunstige reactie op training, en maakt daarnaast veel uren.
Handige bronnen en links
- Website van Peter Beek: https://peterjbeek.com/
- Onderzoeksprofiel van Peter Beek bij de Vrije Universiteit Amsterdam: https://research.vu.nl/en/persons/pj-beek/
- Het college van Peter Beek bij de Universiteit van Nederland, over wanneer je als sporter beter niet naar je coach kunt luisteren: https://www.universiteitvannederland.nl/college/wanneer-kun-je-als-sporter-beter-niet-naar-je-coach-luisteren
- Deel 1 van de serie Motorisch leren, een update, in Sportgericht: https://sport-gericht.nl/site/assets/files/1469/sg_2022_5_02-06_beek.pdf
- De studie van Van Oeveren, De Ruiter, Beek en Van Dieën over het loopstijlenspectrum, met cadans en duty factor als twee assen: https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/33663325/
- Onderzoek van Nijs, Roerdink en Beek naar akoestisch pacen en impactkrachten bij hardlopen: https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/34530309/
- Onderzoek naar het aanpassen van cadans en duty factor tijdens het lopen buiten: https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/38060518/
- Onderzoek naar de betrouwbaarheid van cadans en contacttijd gemeten met slimme oordopjes: https://doi.org/10.3390/s21237995
- Video van kogelstoter Peter Valentiner, een extreme vorm van differentieel leren: https://www.youtube.com/watch?v=U2AMfyyUt5c
- Het artikel van De Correspondent over de mythe van de 10.000-urenregel: https://decorrespondent.nl/10337/de-10-000-uur-regel-is-een-mythe-je-hoeft-je-niet-vroeg-te-specialiseren-om-ergens-in-uit-te-blinken/912841501605-0547b1ed
- Aflevering 95 met Peter Beek over beter leren zwemmen: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-5/95-beter-leren-zwemmen-met-tips-van-zwemprofessor-peter-beek/
- Aflevering 124 over de zin en onzin van schaven aan je loopstijl: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-6/124-schaven-aan-je-loopstijl-voor-wie-is-dat-zinvol-of-onzin/
- Aflevering 156 over de ideale pasfrequentie bij hardlopen: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-8/156-wat-is-de-ideale-pasfrequentie-bij-hardlopen/
- Aflevering 183 over de relatie tussen loopstijl en persoonlijkheid: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-9/183-hardlopen-op-karakter-nieuwe-inzichten-in-een-goede-loopstijl/
- Aflevering 116 over de kansen van differentieel leren bij de Masters of Movement: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-6/116-de-kansen-van-differentieel-leren-bij-de-masters-of-movement/
- Aflevering 90 over slimmer bewegen volgens het Athletic Skills Model, met Geert Savelsbergh: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-5/90-slimmer-bewegen-volgens-het-athletic-skills-model-asm-met-prof-geert-savelsbergh/
- Aflevering 261 over motorisch leren ter preventie van knieblessures, met Eline Nijmeijer: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-13/261-slimmer-leren-bewegen-volgens-bewegingswetenschapper-eline-nijmeijer/
- Aflevering 86 over hardlopen met een vermogensmeter: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-5/85-hardlopen-met-een-vermogensmeter-hoe-werkt-het-en-is-het-nuttig-voor-iedereen/
- Aflevering 222 over slimmer zwemmen met wearables, met Sander Ganzevles: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-11/222-slimmer-zwemmen-met-wearables-volgens-special-guest-sander-ganzevles/
- Aflevering 3 over slimmer trainen door afwisseling van sporten: https://slimmer-presteren-podcast.nl/afleveringen/03-slimmer-trainen-door-afwisseling-van-sporten/
- Alle afleveringen bij de ASM Masters of Movement: https://slimmer-presteren-podcast.nl/masters-of-movement/



