Categorieën
Interview met gast Seizoen 13

261. Slimmer leren bewegen volgens bewegingswetenschapper Eline Nijmeijer

Home » Afleveringen

Dit is de 261e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen het over:

Zo bouw je een motoriek op die niet bezwijkt onder druk

Beter leren bewegen is een vreemd concept. De meeste duursporters die we spreken, gaan ervan uit dat hun techniek na jaren van training wel redelijk vastligt. Je loopt zoals je loopt en je fietst zoals je fietst. Toch is juist dat automatische patroon vaak de plek waar het misgaat. In ons gesprek met bewegingswetenschapper Eline Nijmeijer kijken we verder dan alleen de biomechanica.

We ontdekken hoe je door een slimme aanpak van instructies en motivatie je lichaam kunt dwingen tot een veiligere en effectievere techniek. Het doel is simpel: minder blessures en betere prestaties door je brein op de juiste manier aan het werk te zetten.

De verschuiving van interne naar externe focus

In de praktijk zien we vaak dat trainers of fysiotherapeuten instructies geven die gericht zijn op je eigen lichaam. Denk aan aanwijzingen als houd je knie recht, zet je voet zo neer of span je bilspieren aan. Eline legt uit dat dit een zogeheten interne focus stimuleert. Het voelt heel logisch om op deze manier aan je techniek te schaven, maar het werkt vaak verlammend voor je motoriek. Zodra je bewust gaat proberen om je gewrichten in een bepaalde positie te dwingen, verstoor je de natuurlijke coördinatie.

Eline zag in haar onderzoek dat sporters veel robuuster en veiliger bewegen wanneer ze de focus naar buiten verplaatsen. Beter leren bewegen gaat dus niet over het controleren van je knie, maar over het reageren op een extern doel of een focuspunt in de omgeving.

Hoe autonomie het leerproces versnelt

Een van de meest praktische inzichten uit het onderzoek van Eline is de rol van autonomie. Je zou denken dat beter leren bewegen puur een kwestie is van herhaling, maar je brein slaat een nieuwe beweging sneller op als je zelf een mate van controle hebt over de training. Dit is een kernpunt uit de OPTIMAL-theorie.

In de praktijk betekent dit dat een sporter die zelf mag kiezen welke oefening hij eerst doet, of zelf bepaalt wanneer hij feedback wil ontvangen, effectiever leert. Die kleine mate van zelfbeschikking zorgt voor een betere verankering van de techniek in het zenuwstelsel. Het is een pleidooi voor minder blind uitvoeren en meer eigen regie, wat uiteindelijk leidt tot een bewegingspatroon dat ook onder druk standhoudt.

Van technische regels naar robuuste patronen

We zoeken in de sport vaak naar die ene ideale beweging, de zogenaamde gouden standaard. Eline tempert die verwachting door te wijzen op het verschil tussen expliciet en impliciet leren. Wanneer je precies weet aan welke technische regels je moet voldoen, is de kans groot dat deze kennis wegvalt zodra de vermoeidheid toeslaat of de wedstrijdspanning oploopt. Beter leren bewegen draait om het creëren van patronen die onbewust gaan.

Door gebruik te maken van metaforen of uitdagende omgevingen waarin je niet kunt nadenken over de uitvoering, dwing je het lichaam om zelf de meest efficiële weg te vinden. Dit maakt je als sporter niet alleen sneller, maar ook veel minder kwetsbaar voor blessures zoals kruisbandletsel.

Praktische take-aways

  • Gebruik beelden in plaats van technische instructies. Denk aan lopen over eierschalen in plaats van je pasfrequentie met een specifiek aantal stappen verhogen.
  • Verplaats je aandacht van je lichaam naar je omgeving. Focus bij een landing niet op je knie, maar op het geluid dat je voeten maken op de ondergrond of een lijn op de vloer.
  • Claim meer autonomie in je eigen training. Vraag je coach niet om constante feedback, maar bepaal zelf de momenten waarop je een analyse van je techniek wilt horen.
  • Vermijd de jacht op de perfecte houding via regeltjes. Experimenteer juist met verschillende ondergronden en snelheden om je lichaam te leren reageren op onverwachte krachten.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Wat is het verschil tussen een interne en een externe focus bij het sporten?
Eline legt in de aflevering uit dat een interne focus, waarbij je de aandacht richt op je eigen lichaamsdelen of spieren, de natuurlijke vloeiendheid van een beweging vaak verstoort. Voor wie beter wil leren bewegen, is een externe focus effectiever. Dit houdt in dat je de aandacht verplaatst naar de omgeving of het beoogde resultaat, zoals het geluid van je landing of het raken van een specifieke lijn op de grond.

Uit haar onderzoek blijkt dat het brein de complexe coördinatie dan veel efficiënter zelf regelt, wat leidt tot veiligere en effectievere bewegingspatronen.

2. Wat zijn de belangrijkste pijlers van de OPTIMAL-theorie voor motorisch leren?
In haar proefschrift hanteert Eline de OPTIMAL-theorie als wetenschappelijk kader. Dit model rust op drie specifieke pijlers: verhoogde verwachtingen, autonomie en een externe focus van aandacht.

Het uitgangspunt is dat je als sporter sneller en beter leert wanneer je vertrouwen hebt in de goede afloop, zelf keuzes mag maken in je training en je blik naar buiten richt. Deze combinatie zorgt voor een optimale omgeving in de hersenen om nieuwe technieken te verankeren. Het is dus geen kwestie van eindeloos herhalen, maar van de juiste psychologische en aandacht-gerelateerde randvoorwaarden creëren.

3. Wat is het voordeel van impliciet leren voor een duursporter?
Veel fanatieke sporters proberen hun techniek te verbeteren door technische regels te onthouden, wat we expliciet leren noemen. Eline waarschuwt dat deze vorm van leren kwetsbaar is. Zodra de vermoeidheid toeslaat of de wedstrijdspanning oploopt, kan je brein deze regels vaak niet meer verwerken en valt je techniek uit elkaar.

Impliciet leren daarentegen gebeurt onbewust, bijvoorbeeld door te trainen in een uitdagende omgeving of met metaforen. Het resultaat is een veel robuustere techniek die standhoudt in de finale van een wedstrijd, simpelweg omdat je er niet bij na hoeft te denken.

4. Wat is de rol van autonomie bij het verbeteren van je techniek?
Autonomie klinkt misschien als een modewoord, maar Eline onderbouwt in haar werk dat het een harde voorwaarde is voor effectief motorisch leren. Wanneer je als sporter zelf controle hebt over kleine details van je training, zoals de volgorde van de oefeningen of het moment waarop je feedback vraagt, wordt er dopamine aangemaakt in de hersenen.

Deze stof fungeert als een soort lijm voor het geheugen en helpt bij het verankeren van nieuwe bewegingspatronen. Beter leren bewegen gaat dus sneller als je niet alleen maar orders opvolgt, maar zelf actief betrokken bent bij het leerproces.

5. Wat zijn effectieve strategieën om het risico op kruisbandblessures te verkleinen?
Om zware blessures zoals kruisbandletsel te voorkomen, is alleen krachttraining meestal onvoldoende. Volgens Eline zit de winst in het aanleren van veiligere bewegingspatronen tijdens kritieke momenten, zoals een landing of een schijnbeweging.

In plaats van een sporter precies te vertellen hoe de knie moet staan, werken instructies met een extern doel veel beter. Door bijvoorbeeld te focussen op het behouden van een stabiele positie ten opzichte van een denkbeeldige tegenstander, leert het lichaam zichzelf op een natuurlijke en robuuste manier te beschermen, ook wanneer de situatie op het veld onvoorspelbaar wordt.

Video over beter leren bewegen met de inzichten van Eline Nijmeijer:

https://www.youtube.com/watch?v=3U86qari0lw

Categorieën
Seizoen 13 Sport psychologie Training en herstel

260. Slimmer presteren met een fit koppie: wat doet sporten op je brein?

Home » Afleveringen

Dit is de 260e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen het over:

Sporten en brein: de motor in je hoofd

Je herkent het vast: na een zware training voelen je benen niet alleen leeg, maar is je hoofd ook een grote mistbank. We focussen vaak op hartslag en wattages, maar vergeten dat die grijze massa daarboven de boel aanstuurt.

In deze aflevering onderzoeken we de wisselwerking tussen sporten en brein. Is je hoofd een passieve toeschouwer die alleen maar moe wordt, of is het de onmisbare motor achter je fysieke vooruitgang?

De hypothalamus als dirigent bij muizen

Een recente studie bij muizen werpt een interessant licht op de rol van de hersenen bij training. Onderzoekers ontdekten dat hun hersenen direct bepalen hoe de spieren reageren op een inspanning. In de hypothalamus van deze muizen zitten specifieke cellen die geactiveerd moeten worden om de fysiologische voordelen van een training te incasseren. Werken die zenuwcellen niet mee, dan passen de spieren zich simpelweg minder goed aan.

Hoewel we natuurlijk voorzichtig moeten zijn met het vertalen van resultaten bij knaagdieren naar de menselijke atleet, suggereert Jurgen dat dit ook voor ons gevolgen kan hebben. Het roept de vraag op of een training wel maximaal rendeert als de neurale aansturing vanuit de hersenen niet optimaal is.

Mag de podcast nog mee op pad?

Onze luisteraar Arnout Boer stelde ons een vraag die ons even aan het denken zette: trainen we minder effectief als we mentaal volledig afgeleid zijn door bijvoorbeeld een podcast? Voor ons als makers is dat natuurlijk een gewetensvraag. Gelukkig is het brein prima in staat om te multitasken zolang de taken in verschillende gebieden liggen. Het aansturen van je motoriek gebeurt op een andere plek dan het verwerken van taal.

Voor die lange, rustige duurlopen is een goed verhaal zelfs een zegen om de verveling tegen te gaan en je training makkelijker te volbrengen. De nuance zit hem vooral in de intensiteit. Bij een loodzware intervaltraining wil je je brein wel degelijk volledig bij de les hebben om die neurale paden naar de spieren optimaal te benutten. Maar bij een ontspannen rondje? Blijf vooral luisteren.

De J-curve van je denkvermogen

Naast de invloed van het brein op je training, kijken we ook naar het omgekeerde effect: wat doet sporten met je cognitie? Hier zien we een duidelijke J-curve. Een rustig loopje of een ontspannen fietstocht maakt je vaak scherper, creatiever en verbetert je werkgeheugen. Maar ga je diep in het rood, dan slaat dit om. Bij extreme inspanningen, zoals een marathon, gaat de kwaliteit van je denkvermogen tijdelijk achteruit.

Er is zelfs onderzoek dat laat zien dat de dikte van het isolatiemateriaal rond je zenuwcellen, de myeline, na zo een uitputtingsslag tijdelijk afneemt. Je brein heeft dan simpelweg al zijn energie nodig om je lichaam draaiende te houden.

Mentale prikkels in de praktijk

Sportarts Guido Vroemen herkent dit beeld uit zijn praktijk, waar hij atleten ziet die na een Ironman letterlijk de weg niet meer weten naar de auto. Om je mentale weerbaarheid te vergroten, adviseert hij om je hersenen tijdens de training bewust uit te dagen. Laat je navigatie eens uit en zoek de weg op de kaart of op zicht. Of probeer tijdens je intervallen eens een rekensom op te lossen.

Door je brein actief te betrekken bij de fysieke belasting, leer je om mentaal aanwezig te blijven als de vermoeidheid toeslaat. Zo train je niet alleen je longen en je benen, maar houd je ook de neurale paden tussen je sporten en brein open.

Praktische Take-aways

  • Focus bij intensiteit: probeer zware bloktrainingen met volledige aandacht uit te voeren om de neurale aansturing naar je spieren optimaal te prikkelen.
  • Gebruik afleiding slim: bewaar je favoriete podcasts voor de rustige duurlopen waarbij mentale ontspanning helpt om de kilometers makkelijker weg te trappen.
  • Respecteer de J-curve: gebruik rustige sessies voor creativiteit, maar verwacht geen intellectuele hoogstandjes direct na een uitputtingsslag.
  • Daag je brein uit: voeg af en toe een cognitieve prikkel toe, zoals navigeren zonder gps, om je mentale belastbaarheid onder fysieke druk te vergroten.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Wat is het effect van een zware inspanning op je denkvermogen?
Jurgen legt uit dat er een soort J-curve bestaat als het gaat om sporten en het brein. Een rustige duurtraining werkt vaak als een katalysator voor creativiteit en een scherper werkgeheugen. Je komt vaak met de beste ideeën thuis na een uurtje hardlopen.

\Echter, zodra de intensiteit naar het rood gaat, zoals bij een marathon of zware intervallen, slaat dit om. Het brein heeft dan alle energie nodig voor de fysieke aansturing, waardoor cognitieve functies tijdelijk achteruitgaan en je letterlijk wazig in je hoofd wordt.

2. Wat betekent het voor je progressie als je tijdens het trainen mentaal volledig afgeleid bent?
Jurgen baseert zich op een recente studie bij muizen waaruit bleek dat specifieke neuronen in de hypothalamus geactiveerd moeten worden om de spieren te laten adapteren aan training. Als die neurale prikkel ontbreekt, is het trainingseffect minder.

Hoewel we voorzichtig moeten zijn met de vertaling naar mensen, suggereert dit dat volledige afleiding tijdens een zware sessie de effectiviteit kan remmen. Voor een rustige duurloop is een podcast prima, maar bij een sleuteltraining wil je dat je brein de inspanning bewust registreert voor het beste resultaat.

3. Wat zijn praktische manieren om je mentale weerbaarheid tijdens het sporten te vergroten?
Guido Vroemen adviseert om niet alles op de automatische piloot te doen. Hij ziet in zijn praktijk dat atleten die ook cognitief geprikkeld worden, beter bestand zijn tegen de mentale mist tijdens een wedstrijd. Je kunt dit simpel trainen door bijvoorbeeld zonder navigatie op pad te gaan en zelf je route te onthouden.

Ook het oplossen van rekensommen tijdens een intensief blok dwingt je hersenen om actief te blijven onder fysieke druk. Zo train je de verbinding tussen je sporten en brein en word je mentaal belastbaarder.

4. Wat gebeurt er fysiologisch in je hoofd na een extreme uitputtingsslag zoals een marathon?
Jurgen haalt onderzoek aan dat aantoont dat de hoeveelheid myeline, het isolatiemateriaal rondom je zenuwcellen, na een marathon tijdelijk afneemt. Dit verklaart waarom veel lopers na de finish moeite hebben met eenvoudige taken of zelfs hun weg niet meer weten.

Het brein ondergaat een fysieke belasting die vergelijkbaar is met die van de spieren. Gelukkig is dit effect van tijdelijke aard en herstelt de witte stof in je hersenen zich weer na voldoende rust, net als de rest van je lichaam.

5. Wat is de relatie tussen mentale vermoeidheid door werk en je fysieke prestaties in de training?
Jurgen wijst op onderzoek dat aantoont dat mentale vermoeidheid je fysieke uithoudingsvermogen direct negatief beïnvloedt. Als je de hele dag in lastige meetings hebt gezeten, is je mentale budget op. Hoewel je benen fysiek nog fris kunnen zijn, ervaar je de inspanning als veel zwaarder. Dit komt omdat je brein sneller aan de rem trekt om zichzelf te beschermen.

In de praktijk betekent dit dat je na een zware werkdag soms beter een rustige hersteltraining kunt doen dan een moordend intervalprogramma waarbij je mentaal diep moet gaan.

Video over sporten en je brein:

https://www.youtube.com/watch?v=S71kgNspcIY

Categorieën
Interview met gast Seizoen 13

259. Hoe gebruik je de juiste kennis uit de sportwetenschap volgens hoogleraar Florentina Hettinga

Home » Afleveringen

Dit is de 259e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen het over:

Sportwetenschap in de praktijk: hoe betrouwbaar is dat onderzoek echt?

Je ziet een flitsende grafiek, een term als bio-keramische infraroodreflectie en een belofte dat je herstel met dertig procent verbetert. Het klinkt wetenschappelijk onderbouwd, dus het zal wel waar zijn, toch?

De werkelijkheid is dat veel van deze claims gebaseerd zijn op flinterdun bewijs dat in de marketingmachine is beland. Maar hoe komt het dat sportwetenschap zo makkelijk misbruikt wordt voor spectaculaire koppen? En belangrijker nog: hoe weet je als kritische sporter wat je nog wel kunt geloven?

We bespraken de betrouwbaarheid van sportonderzoek uitgebreid met Florentina Hettinga, hoogleraar en hoofd van de afdeling Bewegingswetenschappen aan de VU.

De verleiding van de snelle conclusie in sportonderzoek

In de podcast proberen we altijd de nuance te vinden, maar we zien dat de buitenwacht vaak aan de haal gaat met een enkel spectaculair resultaat zonder naar de kleine lettertjes te kijken. Florentina legt uit dat veel sportonderzoek wordt gedaan met kleine groepen, vaak jonge mannelijke studenten, in een strak gecontroleerd laboratorium. Dat is logisch voor de wetenschap, want je wilt ruis uitsluiten.

Maar als jij als dertigplusser in de regen een intervaltraining op de fiets doet, zijn die labcondities ver te zoeken. De vertaling van sportwetenschap naar de praktijk is een stuk minder rechtlijnig dan veel influencers ons willen doen geloven. Soms is een effect in het lab simpelweg een resultaat van de specifieke setting en niet direct een wondermiddel voor elke duursporter.

Waarom een enkele studie nog geen hard bewijs is

Een van de grootste struikelblokken in de huidige sportwetenschap is wat we de replicatiecrisis noemen. Het klinkt misschien zwaar, maar het komt erop neer dat als je een onderzoek precies hetzelfde overdoet, de uitkomst vaak anders is. Dat is geen schande, maar het dwingt ons wel tot bescheidenheid.

Florentina benadrukt dat een enkele studie eigenlijk alleen maar een interessante aanwijzing is, een puzzelstukje. Pas als meerdere onderzoekers onafhankelijk van elkaar hetzelfde vinden, beginnen we ergens te komen.

We hebben het in eerdere afleveringen ook al eens gehad over het placebo-effect of supplementen zoals bietensap. Vaak zie je dat het geloof in een methode minstens zo krachtig is als de fysiologische werking ervan, iets wat in de sportpraktijk overigens best nuttig kan zijn, zolang je het maar weet.

Zo filter je de ruis voor je eigen training

Hoe wapen je jezelf tegen de stortvloed aan informatie? Volgens Florentina begint de betrouwbaarheid van sportonderzoek bij transparantie, ook wel Open Science genoemd. We moeten niet alleen kijken naar de glimmende conclusie in een tijdschrift, maar ook naar hoe het onderzoek is opgezet en of de data eerlijk gedeeld worden op platforms zoals Figshare.

Voor ons als sporters betekent dit dat we kritisch moeten blijven kijken naar wie iets roept en met welk doel. Een meta-analyse, waarbij de resultaten van heel veel verschillende onderzoeken op een hoop worden gegooid, geeft een veel eerlijker beeld dan die ene sensationele tweet over een nieuw wondermiddel. Het is misschien minder sexy dan een revolutionaire ontdekking, maar het is wel waar je in de praktijk echt iets aan hebt.

Uiteindelijk is wetenschap geen religie waar je blind in moet geloven, maar een gereedschapskist die constant wordt aangevuld en verbeterd. We hopen dat dit gesprek met Florentina helpt om met een wat nuchtere blik naar je eigen training en de adviezen die je krijgt te kijken.

Het is niet erg om te twijfelen, sterker nog, het maakt je waarschijnlijk een slimmere sporter. Want pas als je de nuance begrijpt, kun je echt gericht aan de slag met wat voor jou echt werkt.

Praktische take-aways

  • Gebruik wetenschap als inspiratie voor je eigen experimenten, maar blijf kritisch op wat een merkbare impact heeft op jouw prestaties.
  • Pin je nooit vast op een enkele studie; zoek naar consensus in meta-analyses waarin meerdere onderzoeken zijn meegenomen.
  • Wees je ervan bewust dat resultaten uit een gecontroleerd lab niet direct vertalen naar jouw specifieke trainingssituatie buiten op de weg.
  • Check bij spectaculaire claims of de methode transparant is en of er geen commercieel belang achter de boodschap zit.

Hoe bepaalt de Slimmer Presteren Podcast welke wetenschappelijke bronnen zij vertrouwen?

Tijdens de afleveringen horen we ook de vraag van Victor, die zich dit afvraagt. Daarom heeft Jurgen daar het volgende over geschreven:

Lijst van belangrijkste wetenschappelijke tijdschriften (journals) waar de SPP zijn artikelen en studies vandaan haalt:

PubMed vormt de basis zoekmachine waarin alle relevante biomedische artikelen te vinden zijn. Hierin kun je zoeken op onderwerp of auteur en filteren op soort artikel (review, meta-analyse, et cetera), waarna een lijst verschijnt met potentieel interessante studies. Die kun je een voor een aanklikken waarna je het abstract te lezen krijgt en toegang tot het hele artikel via het tijdschrift waarin het gepubliceerd is. Zie https://pubmed.ncbi.nlm.nih.gov/

Dit lukt sowieso voor alle ‘Open Access’ tijdschriften, bij andere moet je soms een abonnement hebben of kun je het aanvragen via Research Gate bij de desbetreffende auteur. (Of je hebt contacten bij een universiteit(sbibliotheek) die op bijna alle tijdschriften wel een abonnement heeft). Zie https://www.researchgate.net/

Voor de kwaliteit van een tijdschrift kun je afgaan op de ‘Science Citation Index’, ‘H-index’ of de SCI Journal Rank, zie bijvoorbeeld: https://www.scimagojr.com/journalrank.php?category=3699&order=sjr&ord=desc

Over het algemeen geldt: hoe hoger de ranking, hoe beter het tijdschrift. Maar zoals je ziet heeft elk tijdschrift ook weer zijn eigen specialistische onderwerpen, zoals fysiologie, sportgeneeskunde, traumatologie, sportpsychologie etc.

De Slimmer Presteren Podcast komt, op basis van de ruim 250 afleveringen tot nu toe, hierbij het vaakst uit op de volgende tijdschriften:

Sports Medicinehttps://link.springer.com/journal/40279

British Journal of Sports Medicinehttps://bjsm.bmj.com/

Journal of Physiologyhttps://physoc.onlinelibrary.wiley.com/journal/14697793

American Journal of Physiologyhttps://journals.physiology.org/

Journal of Applied Physiologyhttps://journals.physiology.org/journal/jappl

Scandinavian Journal of Medicine & Science in Sportshttps://onlinelibrary.wiley.com/journal/16000838

Medicine & Science in Sports & Exercisehttps://journals.lww.com/acsm-msse

Journal of Strength and Conditioning Researchhttps://journals.lww.com/nsca-jscr

Frontiers in Physiologyhttps://www.frontiersin.org/journals/physiology

European Journal of Sports Sciencehttps://www.tandfonline.com/toc/tejs20/current

International Journal of Sports Physiology and Performancehttps://journals.humankinetics.com/view/journals/ijspp/ijspp-overview.xml

En heel af en toe halen we een studie aan uit een ‘topjournal’ als:

Sciencehttps://www.science.org/journal/science

Naturehttps://www.nature.com/nature/

Scientific Reportshttps://www.nature.com/srep/

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Wat is de werkelijke impact van de replicatiecrisis op de geloofwaardigheid van de sportwetenschap?
Florentina Hettinga stelt dat we de replicatiecrisis niet moeten zien als een diskwalificatie van het vakgebied, maar als een broodnodige reality check. Voor de jonge sportwetenschapper betekent dit dat het publiceren van een enkel spectaculair resultaat minder zwaar weegt dan het leveren van reproduceerbaar werk.

We bespreken met haar dat een onderzoek pas echt waarde krijgt als vakgenoten in een andere setting tot dezelfde conclusies komen. Het dwingt onderzoekers om bescheidener te zijn in hun claims en de focus te verleggen van sensatie naar robuustheid, wat de betrouwbaarheid op de lange termijn juist versterkt.

2. Wat zijn de belangrijkste barrières bij de vertaling van wetenschappelijke data naar de dagelijkse trainingspraktijk?
Het grote probleem zit volgens Florentina in de overstap van de gecontroleerde labomgeving naar de grillige buitenwereld. Veel onderzoeken worden uitgevoerd met een homogene groep proefpersonen, vaak fitte mannelijke studenten, onder ideale omstandigheden.

Als jonge onderzoeker wil je die data graag direct toepasbaar maken voor iedereen, maar we leerden in dit gesprek dat die vertaling zelden één-op-één werkt. De ruis van het dagelijks leven, zoals weeromstandigheden of individuele fysiologie, wordt in het lab vaak weggefilterd. Het herkennen van die beperkingen is volgens de hoogleraar essentieel om sportwetenschap relevant te houden voor de praktijk.

3. Wat betekent de beweging richting Open Science concreet voor de manier waarop we sportonderzoek consumeren?
Open Science is volgens Florentina Hettinga veel meer dan alleen een modewoord; het is een fundamentele verandering in de wetenschappelijke cultuur. Voor onderzoekers betekent dit dat ze hun data en methoden transparant moeten delen op platforms zoals Figshare.

Hierdoor kunnen anderen het werk controleren en erop voortbouwen, wat de kans op verborgen fouten verkleint. We merkten in het gesprek dat dit voor de nieuwe generatie wetenschappers de standaard wordt.

Als consument van sportkennis kun je hierdoor beter beoordelen of een claim ergens op gebaseerd is of dat de onderliggende data verborgen blijven achter een commerciële betaalmuur.

4. Wat maakt sportwetenschap zo vatbaar voor de verspreiding van onvolledige of overdreven claims?
De combinatie van een enorme commerciële markt en de menselijke drang naar een snelle oplossing maakt sportwetenschap kwetsbaar. Florentina wijst erop dat marketingafdelingen vaak alleen de spectaculaire uitschieters uit een onderzoek pakken en die presenteren als de nieuwe waarheid.

In de podcast bespreken we hoe dit mechanisme werkt: nuance verkoopt simpelweg minder goed dan een revolutionaire ontdekking. Voor een jonge wetenschapper is het de uitdaging om in die dynamiek vast te houden aan de feiten. We moeten kritisch blijven kijken naar de bron en de context waarin een resultaat wordt gepresenteerd, zeker op sociale media.

5. Wat is de beste manier om als kritische sporter de waarde van een nieuw trainingsinzicht te beoordelen?
Florentina adviseert om vooral te kijken naar meta-analyses in plaats van naar losse studies. Een meta-analyse voegt de data van talloze onderzoeken samen en filtert zo de toevallige uitschieters eruit. Voor de sporter die niet dagelijks in de boeken duikt, is dit de gouden standaard.

Daarnaast bespraken we dat je altijd moet vragen wie het onderzoek heeft gefinancierd en of de resultaten breed gedragen worden door andere experts. Wetenschap is een continu gesprek en pas als er consensus ontstaat over een langere periode, kun je met een gerust hart je trainingsschema er echt op aanpassen.

Video over de juiste kennis uit de sportwetenschap volgens hoogleraar Florentina Hettinga:

https://www.youtube.com/watch?v=G3Rjo9JyS7M

Categorieën
Seizoen 13 Training en herstel

258. Een super lage rusthartslag: teken van topfit of ook riskant?

Home » Afleveringen

Dit is de 258e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen het over:

Hoe sport je hart letterlijk verbouwt: De wetenschap achter onze lage hartslag

Je wordt wakker, kijkt op je sporthorloge en ziet een getal staan waar een niet-sporter zich direct zorgen om zou maken. 38 slagen per minuut. Voor veel duursporters is zo een lage rusthartslag bijna een ereteken, het ultieme bewijs dat de conditie in orde is. Maar waar ligt de grens tussen een superfit hart en een medisch probleem?

In deze aflevering van de Slimmer Presteren Podcast duiken wij in de wereld van de bradycardie, oftewel de lage hartslag bij sporters.

Waarom het hart van een sporter zo traag slaat

We hebben lang gedacht dat een lage rusthartslag simpelweg een kwestie was van een sterke hartspier die per slag meer bloed wegpompt. Dat is een deel van het verhaal, maar Jurgen legt uit dat er meer aan de hand is. Je zenuwstelsel past zich aan door de rem op het hart harder aan te trekken, de zogenaamde vagale toon.

Recent onderzoek, zoals de Pro@Heart studie, laat echter zien dat er ook structurele veranderingen optreden in de sinusknoop zelf, de natuurlijke pacemaker van je hart. De cellen daar lijken fysiek te veranderen door jarenlange training. Het is dus niet alleen een actieve vertraging vanuit je hersenen, maar ook een fundamentele aanpassing van de hardware van je hart.

Duizeligheid en de schaduwkant van een laag ritme

Hoewel we die lage hartslag vaak associëren met fitheid, brengt het soms ongemakken mee in de weerbarstige praktijk. Veel hardlopers en fietsers herkennen het wel: je zit op de bank, staat snel op om wat te drinken te pakken en de wereld draait even weg.

Dit fenomeen, orthostatische intolerantie, komt vaker voor bij mensen met een lage hartslag en een grote bloedvatcapaciteit in de benen. Het bloed zakt simpelweg sneller naar beneden dan je hart het naar boven kan pompen.

Meestal is dit onschuldig, maar als je echt flauwvalt, spreken we van een vasovagale collaps. Dan wordt het tijd om kritisch te kijken naar factoren als stress, slaap en hydratatie.

De vertaling naar je training met Guido Vroemen

Aan het eind van de rit schuift Guido Vroemen aan om de brug te slaan naar de praktijk. Guido ziet in zijn praktijk als sportarts en trainer regelmatig atleten die zich zorgen maken over hun dalende rusthartslag. Hij benadrukt dat een getal op zichzelf weinig zegt. Als je rusthartslag van 45 naar 38 zakt terwijl je je fit voelt, is dat meestal een teken van goede adaptatie.

Maar als die lage hartslag gepaard gaat met extreme vermoeidheid of het gevoel dat je hart soms een slag overslaat, moet je alert zijn. Guido geeft praktische tips over hoe je omgaat met duizeligheid en wanneer een ritme-check bij een sportarts wel of niet nodig is.

Uiteindelijk is een lage rusthartslag vooral een teken dat je lichaam zich aanpast aan de belasting die je het oplegt. Het is iets om trots op te zijn, mits je de signalen van je lijf serieus blijft nemen.

Of zoals Jurgen het treffend verwoordt: het is een prachtig efficiënt systeem, zolang de motor maar blijft draaien wanneer je erom vraagt.

Praktische Take-aways

  • Een lage rusthartslag ontstaat door een combinatie van een sterker wordende hartspier en structurele veranderingen in de sinusknoop.
  • Duizeligheid bij het opstaan is een bekend bijverschijnsel bij duursporters; het helpt om je kuitspieren even aan te spannen voordat je opstaat.
  • Kijk niet alleen naar de absolute waarde van je rusthartslag, maar let vooral op veranderingen in combinatie met je dagelijkse energie en herstelvermogen.
  • Vertrouw je het niet of heb je last van hartkloppingen bij een lage hartslag, laat dan altijd een sportmedisch onderzoek doen om ritmestoornissen uit te sluiten.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Wat is de reden dat mijn rusthartslag als duursporter soms ver onder de 40 slagen per minuut duikt?
Jurgen legt uit dat dit een combinatie is van verschillende factoren. Allereerst wordt je hart simpelweg groter en krachtiger door jarenlange training, waardoor het per slag meer bloed rondpompt. Maar er is meer: je zenuwstelsel trekt de rem op je hart strakker aan, de zogenaamde vagale toon.

Recent onderzoek toont aan dat zelfs de sinusknoop, de natuurlijke pacemaker van je hart, fysiek verandert door sport. Het is dus een knap staaltje biologische efficiëntie, waarbij je hart letterlijk leert om met minder inspanning hetzelfde werk te verzetten.

2. Wat zijn de risico’s van zo een extreem lage hartslag op de lange termijn?

Hoewel een lage hartslag meestal een teken van fitheid is, wijst Jurgen ook op de schaduwkant. Bij sommige atleten kan de natuurlijke pacemaker zo sterk vertragen dat er ritmestoornissen ontstaan, zoals boezemfibrilleren op latere leeftijd. Het hart raakt gewend aan het trage ritme, wat in de weerbarstige praktijk soms tot problemen leidt als de overgang naar inspanning niet soepel verloopt.

Zolang je geen klachten hebt als flauwvallen of onverklaarbare vermoeidheid is er vaak niks aan de hand, maar een extreem laag ritme is niet per definitie zonder risico.

3.Wat verklaart die vervelende duizeligheid wanneer ik snel opsta van de bank?
Dit fenomeen noemen we orthostatische intolerantie. Omdat je hartslag in rust zo laag is en je bloedvaten in je benen door de training erg wijd zijn, zakt het bloed bij het opstaan sneller naar beneden dan je hart het omhoog kan pompen. Guido Vroemen ziet dit vaak in zijn praktijk bij fitte atleten. Het is meestal onschuldig, maar wel irritant.

Een praktische tip van Guido is om even je kuitspieren aan te spannen voordat je opstaat, zodat je het bloed als het ware weer omhoog drukt richting je hersenen.

4. Wat is de invloed van mijn genen op die lage hartslag, of is het puur een resultaat van training?
Het is een misverstand dat een lage hartslag alleen maar door hard trainen komt. Jurgen benadrukt dat je genetische blauwdruk een grote rol speelt. Sommige mensen hebben van nature al een lagere hartslagfrequentie. Als je daar dan ook nog eens serieus duurtrainen aan toevoegt, zie je die getallen pas echt kelderen.

De een zal met eenzelfde trainingsomvang dus op een rusthartslag van 45 uitkomen, terwijl de ander moeiteloos de 35 aantikt. Het getal op je horloge zegt dus niet alles over je conditie.

5. Wat zijn de signalen waarbij ik echt aan de bel moet trekken bij een sportarts?
Volgens Guido Vroemen is de absolute waarde van je hartslag minder belangrijk dan hoe jij je voelt. Word je regelmatig echt zwart voor de ogen bij inspanning, heb je het gevoel dat je hart overslaat of een vreemd ritme aanneemt, of merk je dat je hartslag tijdens een training niet meer omhoog wil? Dan is het tijd voor een ritme-check.

Een sportmedisch onderzoek met een ECG kan dan uitsluitsel geven of je hart nog wel op de juiste manier reageert op de prikkels die je het geeft.

Video over het risico lage hartslag:

https://www.youtube.com/watch?v=_D2KIQc7i0Y

Categorieën
Hardlopen Seizoen 13 Sport psychologie

257. De psychologie van de Ultra: slimmer presteren tijdens 272 km trailrunnen in de Alpen

Home » Afleveringen

Dit is de 257e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen het over:

Onderhandelen met je brein: De realiteit van 272 km ultralopen

Wanneer je start aan een onderneming van 272 kilometer door de Alpen, weet je een paar dingen zeker: het gaat pijn doen, je gaat slaaptekort krijgen en op een gegeven moment wil je lichaam simpelweg niet meer. Toch finishten Chris Leibbrandt en Lara Koopen afgelopen zomer de Eiger E250 na ruim 82 uur strijd.

Wij zochten hen op aan hun keukentafel in Amerongen om te ontdekken wat er in die tachtig uur precies gebeurt in de bovenkamer. Want hoewel de benen het werk doen, wordt de echte psychologie van ultralopen pas zichtbaar als de vermoeidheid toeslaat en de logica verdwijnt.

Hallucinaties en de Central Governor

Tijdens ons gesprek kwam al snel de Central Governor theorie ter sprake, een concept waar Jurgen in de podcast vaker aan heeft gerefereerd. Het is die interne veiligheidsklep die je probeert te beschermen door je het gevoel te geven dat je doodop bent, terwijl er fysiologisch vaak nog wel wat in de tank zit.

Bij Chris en Lara nam dit extreme vormen aan. Lara vertelde ons lachend hoe ze op een gegeven moment kabouters in het bos zag en midden in de wildernis dacht dat ze langs flatgebouwen liep. Dat klinkt grappig, maar het is een teken dat het brein door het extreme slaapgebrek – ze sliepen slechts drieënhalf uur in drie dagen – de grip op de realiteit verliest. Het laat zien hoe de psychologie van ultralopen niet gaat over het negeren van signalen, maar over het accepteren van de verwarring zonder in paniek te raken.

De kracht van het juiste mantra

Een van de meest treffende momenten aan de keukentafel was de introductie van hun gedeelde mantra: it never always gets worse. Dat klinkt misschien als een relativerende tegeltjeswijsheid, maar in de weerbarstige praktijk van de Alpen is het een noodzakelijke reddingsboei.

In de sportwetenschap noemen we dit cognitieve herwaardering. In plaats van een diep dal te zien als het begin van het einde, ga je ervan uit dat het een tijdelijke fase is die weer voorbijgaat. Chris beschreef hoe hij zich soms urenlang ellendig voelde, om vervolgens na een blokje kaas of een kwartier rust weer met hernieuwde energie een col op te lopen. Door de ellende te normaliseren en te weten dat het gevoel weer kan omslaan, haal je de angst voor het onbekende weg.

Samen de bubbel bewaken

Wij vroegen ons af of het makkelijker of juist lastiger is om zo’n uitdaging als duo aan te gaan. De psychologie van ultralopen krijgt een extra dimensie wanneer je met z’n tweeën bent. In de psychologie spreken we van sociale facilitatie, waarbij je elkaar optrekt, maar bij tachtig uur non-stop samen zijn ligt irritatie ook op de loer.

Chris en Lara legden uit dat ze soms urenlang achter elkaar liepen zonder een woord te wisselen, ieder in hun eigen bubbel. Ze hadden de afspraak dat ze mochten klagen over de pijn, maar dat de finish nooit ter discussie stond. Het besef dat je niet alleen bent in je lijden, blijkt een krachtig wapen.

Aan het eind van de rit concludeerden we dat dit soort ondernemingen eigenlijk een extreme vorm van zelfkennis zijn. Je komt jezelf niet één keer tegen, maar tientallen keren, en elke keer moet je weer een nieuwe reden vinden om die volgende stap te zetten.

Het was voor ons een relativerend gesprek. Waar wij ons soms druk maken over een haperende hartslagband of een regenbui tijdens een duurloop, laten Chris en Lara zien dat de menselijke veerkracht tot veel meer in staat is dan we vaak denken.

Of je nu traint voor je eerste marathon of droomt van de Alpen, de les blijft hetzelfde: je brein is de beperkende factor, niet je benen.

Praktische Take-aways

  • Accepteer dat een dip altijd tijdelijk is; de wetenschap en de praktijk bevestigen dat je je na een diep dal weer verrassend goed kunt voelen.
  • Oefen met mantra’s en cognitieve herwaardering tijdens je lange duurtrainingen om je mentale weerbaarheid te vergroten.
  • Slaapgebrek doet vreemde dingen met je waarneming; weet dat hallucinaties bij extreme inspanning een onschuldig bijproduct zijn van een oververmoeid brein.
  • Als je samen met iemand een groot doel nastreeft, maak dan vooraf duidelijke afspraken over hoe je communiceert op momenten dat de koek echt op is en wanneer je elkaar juist even met rust moet laten.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Wat verklaart die enorme drang om te stoppen terwijl je medisch gezien nog prima kunt doorlopen?
Jurgen legde ons uit dat dit vaak te maken heeft met de Central Governor. Dit is een soort veiligheidsmechanisme in je brein dat de noodrem aantrekt voordat er werkelijk fysieke schade ontstaat. Aan de keukentafel vertelden Chris en Lara dat ze dit tijdens de Eiger E250 heel bewust meemaakten. Ze voelden zich op sommige momenten totaal opgebrand, maar een half uur later liepen ze weer soepel een berg op.

Het besef dat die stopknop in je hoofd een voorzichtige inschatting is van je brein, en niet per se een keiharde fysieke grens, hielp hen om in beweging te blijven.

2. Wat zijn de meest effectieve mentale tactieken om de moed erin te houden tijdens een meerdaagse race?
Chris en Lara maakten gebruik van een heel simpel maar doeltreffend mantra: it never always gets worse. Dit is een vorm van wat Jurgen cognitieve herwaardering noemt en vormt een kernonderdeel van de psychologie van ultralopen. In plaats van te geloven dat de pijn alleen maar erger wordt, accepteer je dat ellende in golven komt.

Door aan de keukentafel terug te kijken op hun diepste dalen, zagen we dat dit besef hen hielp om niet in paniek te raken. Als je weet dat een dip bijna altijd tijdelijk is, wordt het makkelijker om simpelweg de volgende stap te zetten.

3. Wat is de invloed van extreem slaapgebrek op de mentale toestand van een loper?
Na ruim zeventig uur onderweg waren de hersenen van onze gasten zo vermoeid dat de werkelijkheid begon te vervagen. Lara vertelde ons over kabouters en denkbeeldige gebouwen in het bos die ze onderweg zag. Jurgen legt uit dat de psychologie van ultralopen hier een grens bereikt waarbij het brein visuele prikkels simpelweg niet meer goed kan filteren.

Het interessante is dat Chris en Lara hier niet bang van werden, maar het rationeel konden plaatsen als een onvermijdelijk bijproduct van de inspanning. Door hallucinaties te herkennen voor wat ze zijn, voorkom je dat de vermoeidheid omslaat in desoriëntatie.

4. Wat zijn de psychologische criteria om te bepalen of je veilig door een pijngrens heen kunt gaan?
Dit is een vraag die veel luisteraars, zoals Maarten de Geus, bezighoudt. Jurgen benadrukt dat je onderscheid moet maken tussen functionele pijn, zoals spierpijn en algehele malaise, en structurele pijn die duidt op echt letsel. In het gesprek met Chris en Lara bleek dat zij heel scherp waren op dit onderscheid. Ze accepteerden dat alles pijn deed, maar bleven alert op signalen die hun gezondheid echt in gevaar brachten.

De psychologie van ultralopen vraagt hier om een eerlijke dialoog met jezelf: stop je omdat het oncomfortabel is, of omdat er echt iets kapot gaat?

5. Wat is het psychologische voordeel van het lopen als team bij een extreme uitdaging?
Samen lopen zorgt voor sociale facilitatie, een fenomeen waarbij de aanwezigheid van een ander je helpt om dieper te gaan dan je in je eentje zou doen. Chris en Lara legden uit dat ze elkaar door de zwaarste momenten sleepten, simpelweg door er te zijn. Jurgen merkte op dat dit ook een risico inhoudt als de emoties hoog oplopen door vermoeidheid.

Hun geheim was het respecteren van elkaars mentale bubbel. Soms zeiden ze urenlang niets tegen elkaar, maar het gedeelde lot gaf een enorme steun. Deze vorm van groepsdynamiek is een essentieel aspect van de psychologie van ultralopen.

De video die Chris en Lara maakten tijdens en over hun Eigen250 avontuur waarin het mantra “It never always gets worse” (origineel van David Hurton) centraal stond. https://www.youtube.com/watch?v=vdjnmvswAiU

Geschreven verslag van de Eiger 250 in 2025, die voor Chris en Lara zelfs 272 km werd, en 82 uur duurde: https://nextrace.nl/blog/272-kilometer-als-team-onze-eiger-e250-in-82-uur

Doe mee aan de ‘6-uur van Amerongen’ en ervaar zelf wat een ultra-mindset van je vraagt: https://6uursamerongen.nl/         

Het boek “Mental Training for Ultrarunning: your Psychological Skills Guidebook for Ultra Success” van Addie Bracy: https://partner.bol.com/click/click?p=2&t=url&s=1275989&f=TXL&url=https%3A%2F%2Fwww.bol.com%2Fnl%2Fnl%2Ff%2Fmental-training-for-ultrarunning%2F9300000013615957%2F&name=Mental%20Training%20for%20Ultrarunning%2C%20Addie%20J.%20Bracy

Review naar mentale veerkracht en coping strategieën tegen de pijn en vermoeidheid bij ultralopers: https://link.springer.com/article/10.1007/s40279-025-02277-4

Boek ‘Door de barrière’ van Mariska van Sprundel: https://www.mariskavansprundel.nl/door-de-barriere/

Aflevering 74: Boekbespreking “In de ban van de Barkley” met ultra-runner Michiel Panhuysen. Hierin werd de mythische en mentale martelgang van de Barkley Marathons al besproken. https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-4/74-boekbespreking-in-de-ban-van-de-barkley-met-ultra-runner-michiel-panhuysen/

Aflevering 154: Slimmer presteren tijdens het trailrunnen of een ultrarun. Deze aflevering focuste meer op de fysiologie en ondergrond, maar vormt de basiskennis voor deze ‘mentale’ vervolgsessie. https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-8/154-slimmer-presteren-tijdens-het-trailrunnen-of-een-ultrarun/

Aflevering 66: Weerstand bieden tegen de vermoeidheid: hoe doe je dat? Hierin werd besproken hoe je mentaal omgaat met vermoeide spieren, een kerncompetentie voor ultra-lopers. https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-4/weerstand-bieden-tegen-de-vermoeidheid-hoe-doe-je-dat/

Aflevering 204: Hoe (on)gezond is ‘ultra’ eigenlijk? Met deelnemer aan de 6-uur van Amerongen in 2026, en zeer ervaren Ultra-loper Marijn Sinkeldam: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-10/204-hoe-ongezond-is-ultra-eigenlijk-met-arts-en-ultrarunner-marijn-sinkeldam/

Aflevering 208: Wetenschappelijk onderzoek naar de back-yard Ultra met Kevin de Pauw. Wat vind je als je alles zou kunnen meten bij ultra-lopers? https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-10/208-slimmer-presteren-op-een-ultra-volgens-bewegingswetenschapper-kevin-de-pauw-2/

Aflevering 163: De runner’s high: bestaat die nou écht? Over de euforie en stoffen die vrijkomen bij langdurige inspanning, wat een verklaring kan zijn voor de ‘verslaving’ aan ultra: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-8/163-de-runners-high-bestaat-die-nou-echt/

Aflevering 199: de lessen van beroepsavonturier Jan Fokke Oosterhof: https://slimmer-presteren-podcast.nl/seizoen-10/199-een-uitgekiende-voorbereiding-lessen-van-beroepsavonturier-jan-fokke-oosterhof/

Video over de psycholigie van ultralopen:

https://www.youtube.com/watch?v=O4NpE-MLi_Y

Categorieën
Seizoen 13 Training en herstel

256. Goed trainen maar ook goed slapen: hoe pak je dit slim aan?

Home » Afleveringen

Dit is de 256e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen het over:

Sporten en slapen: het groene balkje versus de goede nachtrust

We proberen elke dag weer die complexe puzzel te leggen: werk, gezin en dan ook nog onze ambities als duursporter. In de praktijk schuiven die broodnodige trainingen daardoor vaak naar de late avonduren. We vinken die groene balkjes in ons logboek graag af, maar we vragen ons in deze aflevering af wat de prijs is die we hiervoor betalen. De relatie tussen sporten en slapen ligt namelijk een stuk genuanceerder dan we eerder dachten.

Voortschrijdend inzicht: van het lab naar de praktijk

In aflevering 146 concludeerden we nog, op basis van onderzoek in slaaplaboratoria, dat sporten in de avond eigenlijk nauwelijks invloed heeft op je nachtrust. Maar we hebben inmiddels voortschrijdend inzicht. Jurgen dook voor deze aflevering in nieuwe, grootschalige data van tienduizenden gebruikers van wearables zoals Whoop en Withings.

Wat blijkt? In de echte wereld, buiten de muren van een gecontroleerd lab, zien we wel degelijk een effect. Hoewel de verschillen per nacht relatief klein lijken, is de trend onmiskenbaar: wanneer we binnen vier uur voor het slapengaan intensief sporten, gaat dat ten koste van de slaapduur en keldert de hartslagvariabiliteit (HRV). Onze hartslag in rust blijft gedurende de nacht hoger, wat simpelweg betekent dat het lichaam nog niet klaar is met de inspanning terwijl we al hopen te herstellen.

Wanneer het autonome zenuwstelsel de noodrem aantrekt

Dat de balans tussen sporten en slapen geen theoretisch concept is, merkte Gerrit onlangs op een nogal hardhandige manier. Na een periode van hoge belasting en een zware training trok zijn systeem letterlijk de stekker eruit en viel hij flauw. We bespreken hoe dit soort vegetatieve reacties laten zien dat de rek er volledig uit kan zijn.

We zijn vaak zo gefocust op onze trainingscijfers dat we de fundamentele signalen van ons eigen lijf negeren. Als je systeem al onder druk staat door werk of stress, kan die extra avondtraining net de druppel zijn die de emmer doet overlopen. Gerrit kreeg hiermee een pijnlijke les in hoe het autonome zenuwstelsel uiteindelijk altijd het laatste woord heeft.

Waarom een gemiste training soms je beste investering is

Samen met Guido Vroemen maken we de vertaling naar de dagelijkse praktijk. We moeten stoppen met het los zien van training en herstel; een training is pas geslaagd als we deze ook daadwerkelijk kunnen verwerken. We leggen uit waarom het soms slimmer is om een training over te slaan ten gunste van een uur extra slaap.

Consistentie is het toverwoord in de sportwetenschap, maar dat geldt voor je slaappatroon net zo hard als voor je wekelijkse kilometers. We kijken met Guido naar de waarde van de Body Battery en waarom een hersteld lichaam onderaan de streep altijd meer oplevert dan een extra groen balkje in TrainingPeaks.

Uiteindelijk is slaap het meest effectieve en goedkoopste herstelmiddel dat we tot onze beschikking hebben. Door kritisch te kijken naar de timing van je inspanning en te luisteren naar wat je horloge vertelt over je nachtrust, voorkom je dat je jezelf voorbijloopt. We hopen je met deze aflevering te inspireren om slaap vaker te zien als een essentieel onderdeel van je trainingsschema, in plaats van als de sluitpost van je dag.

Praktische Take-aways

  • Waar laboratoriumonderzoek weinig effect vond, laat data uit de praktijk zien dat intensieve trainingen binnen vier uur voor bedtijd de slaapkwaliteit wel degelijk negatief beïnvloeden.
  • Leer luisteren naar de signalen van je autonome zenuwstelsel; signalen zoals extreme vermoeidheid of duizeligheid wegen zwaarder dan welk trainingsschema dan ook.
  • Gebruik de data van je wearable, zoals je Body Battery of slaapscore, als een objectieve raadgever of een late training op dat moment wel verstandig is.
  • Consistentie in je slaaptijden is voor je sportieve progressie op de lange termijn net zo cruciaal als de consistentie in je fysieke trainingen.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Tot hoe laat kun je s avonds nog intensief sporten zonder je slaap te verpesten?
Jurgen legt in deze aflevering uit dat een zware inspanning binnen vier uur voor het slapengaan directe gevolgen heeft voor je herstel. De data van duizenden wearables laat zien dat je hartslag in rust gedurende de nacht hoger blijft en de hartslagvariabiliteit (HRV) flink daalt.

Hoewel we na zo een sessie vaak fysiek uitgeput zijn en snel in slaap vallen, is de werkelijke herstelwaarde van die slaap een stuk minder. Je lichaam is simpelweg nog te druk met de actieve naverbranding van de training om echt diep tot rust te komen.

2. Waarom slaap ik slecht na het hardlopen terwijl ik wel heel moe ben?
In een eerdere aflevering concludeerden we nog dat avondtraining weinig kwaad kon, gebaseerd op onderzoek in een gecontroleerd slaaplab. Jurgen deelt nu het voortschrijdend inzicht uit grootschalig onderzoek onder tienduizenden sporters.

In de echte wereld, waar we ook te maken hebben met werkstress en de hectiek van alledag, zien we wel degelijk een negatief effect van laat sporten op de slaapduur. Je bent fysiek wel moe, maar je autonome zenuwstelsel staat nog te veel in de actiestand om de overgang naar een kwalitatieve diepe slaap te maken.

3. Wat zijn de signalen dat je lichaam een zware training niet meer aankan?
Gerrit deelt zijn persoonlijke ervaring waarbij hij letterlijk flauwvalt na een periode van extreme belasting. Guido Vroemen legt uit dat dit een reactie is van het autonome zenuwstelsel, dat de controle over basisfuncties verliest wanneer de rek er volledig uit is. Dit noemen we ook wel een vegetatieve reactie.

Het onderstreept dat sporten en slapen een delicate balans vormen. Als je de signalen van oververmoeidheid of duizeligheid stelselmatig wegwuift en toch blijft doortrainen in de late uren, trekt je systeem uiteindelijk zelf aan de noodrem.

4. Hoe gebruik je de Body Battery van Garmin om te bepalen of je nog moet trainen?
Guido adviseert om kritisch naar je eigen data te kijken voordat je die late intervallen start. Als je ziet dat je Body Battery aan het begin van de avond al nagenoeg leeg is, levert een extra training je waarschijnlijk meer schade dan rendement op.

De data van je horloge fungeert in dat geval als een objectieve raadgever die je helpt om niet alleen naar je schema te kijken, maar ook naar je werkelijke herstelcapaciteit op dat moment. Soms is de meest effectieve training voor je marathon simpelweg een uur eerder naar bed gaan.

5. Wat is de beste training voor de late avond als je toch je nachtrust wilt bewaken?
Wanneer een late sessie onvermijdelijk is, wijst Jurgen op de intensiteit als de belangrijkste knop om aan te draaien. Een rustige duurloop heeft een veel minder grote impact op je autonome zenuwstelsel dan een intervaltraining op hoge intensiteit.

Als je merkt dat sporten en slapen bij jou vaker conflicteren, probeer dan de zware prikkels naar het weekend of de vroege ochtend te verplaatsen. Zo geef je je lichaam de ruimte om de nacht te gebruiken waarvoor deze bedoeld is: herstellen van de dag in plaats van het verwerken van een late prikkel.

Video over is die late training je nachtrust wel waard?

https://www.youtube.com/watch?v=dT0WhH9Mi6Q

Categorieën
Hardlopen Interview met gast Seizoen 13 Training en herstel Training marathon

255. Onderzoeker Ellen Ricke over consistent trainen: hoe hou je het vol?

Home » Afleveringen

Dit is de 255e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen het over:

De kunst van het blijven staan: Hoe je echt consistent traint

Het is eind februari en we zitten er weer middenin: de maand van de grote ambities. De fietspaden en de trails zijn druk, de sportscholen puilen uit. We spreken onszelf allemaal toe dat dit het jaar is waarin we geen enkele training overslaan. Maar eerlijk is eerlijk, we weten ook hoe kwetsbaar die belofte is.

In de loop van de jaren hebben we in de Slimmer Presteren Podcast al vaak gezien dat de praktijk weerbarstiger is dan de theorie. Of het nu een drukke werkweek is of een lijf dat even niet meewerkt, zoals Gerrit deze maand zelf merkte toen de vermoeidheid toesloeg.

In deze aflevering zoeken we uit waarom het zo lastig is om de draad vast te houden. Dat doen we met Ellen Ricke, die promoveerde op wat in de medische wereld “therapietrouw” heet, maar wat wij simpelweg vertalen als: doen wat je van plan was.

Waarom motivatie een slechte raadgever is

We denken vaak dat we meer ruggengraat nodig hebben als we een training overslaan. Als we die intervallen niet doen, voelt dat als een gebrek aan discipline. Maar volgens Ellen moeten we die focus op motivatie een beetje loslaten. Motivatie is namelijk een nogal grillige vriend die er vaak niet is als het regent of als je moe bent.

We hebben het in onze gesprekken vaker over de omgeving gehad en Ellen bevestigt dat. Het gaat er niet om dat je harder voor jezelf bent, maar dat je het jezelf makkelijker maakt. Dat kan zitten in sociale steun of de relatie met een coach, maar vooral in het besef dat een gemiste training geen moreel falen is.

De nuance zit hem in het accepteren dat het leven soms simpelweg in de weg zit.

De bevrijdende kracht van de 80 procent-regel

Een van de meest verfrissende inzichten uit het gesprek met Ellen is de 80 procent-regel. We zijn als fanatieke sporters vaak pas tevreden als we een schema voor de volle honderd procent afvinken. Maar de wetenschap is daar verrassend mild over. Als je driekwart tot tachtig procent van je geplande werk doet, pak je bijna alle winst al mee.

Die laatste twintig procent levert vaak meer stress en risico op overbelasting op dan dat het je echt sneller maakt. Voor ons is dit een belangrijke relativering. Het geeft ruimte om een keer te schuiven of een rustdag te nemen zonder dat je direct bang hoeft te zijn dat je vorm instort. Het gaat om de grote lijn, niet om die ene gemiste sessie op een dinsdagavond.

Kan een algoritme jouw vermoeidheid begrijpen

Tegenwoordig laten we ons steeds vaker leiden door techniek. We gebruiken apps die met slimme algoritmes uitrekenen wat we die dag moeten doen. Het idee is dat AI ons beter kent dan wij onszelf, op basis van onze slaapcijfers en hartslagvariabiliteit.

Maar daar zit ook een gevaar. Een app ziet niet dat je hoofd vol zit of dat je een zware dag achter de rug hebt die niet in cijfers te vangen is. We vragen ons af of die digitale coaches de menselijke maat niet uit het oog verliezen. Soms is het volgen van een algoritme juist een vorm van blinde discipline die je eerder richting een burn-out helpt dan naar een PR. Het blijft een hulpmiddel, geen heilige wet.

De running streak: discipline of dwang

Luisteraare Jacco vertelt over zijn running streak: elke dag ten minste een kwartier hardlopen. Het is een beproefde methode om regelmaat af te dwingen omdat je de discussie met jezelf uitschakelt. Je gaat gewoon, want dat is de afspraak.

We zien dat dit voor veel sporters werkt om drempels te verlagen en het herstelvermogen te prikkelen. Maar we moeten ook kritisch blijven. Wanneer slaat een gezonde gewoonte over in een obsessie? Als je met een beginnende blessure toch naar buiten gaat alleen maar om je streak in stand te houden, ben je niet meer slimmer aan het presteren.

Consistentie is belangrijk, maar het moet wel ergens toe leiden. Soms is de moedigste training de training die je niet doet.

Praktische Take-aways

  • Hanteer de 80 procent-regel: Je hoeft geen 100 procent van je schema te halen om beter te worden; 75 tot 80 procent is vaak al genoeg voor significante progressie.
  • Kijk verder dan motivatie: Richt je omgeving zo in dat sporten de makkelijkste optie wordt en reken jezelf niet af op een gebrek aan discipline als het een keer tegenzit.
  • Gebruik techniek als raadgever, niet als baas: Apps en AI kunnen handige inzichten geven, maar blijf altijd luisteren naar je eigen gevoel en de context van je dagelijks leven.
  • Houd je doel voor ogen: Of je nu een running streak doet of een strak schema volgt, vraag je regelmatig af of de methode je nog helpt of dat het een moetje is geworden dat je uitput.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Wat verstaat expert Ellen Ricke onder de term therapietrouw voor een sporter?
Hoewel therapietrouw klinkt als een term uit de spreekkamer van de dokter, legt Ellen Ricke uit dat dit in de sport simpelweg draait om het doen wat je met jezelf of je coach hebt afgesproken. In haar onderzoek ziet ze dat dit verder gaat dan alleen maar ijzeren discipline. Het is een samenspel tussen je eigen motivatie, de steun van je omgeving en de haalbaarheid van je plan.

Ellen benadrukt dat we vaak te streng voor onszelf zijn als een training niet lukt, terwijl de oorzaak vaak in de omgevingsfactoren ligt in plaats van in een gebrek aan ruggengraat.

2. Wat is het wetenschappelijke fundament achter de 80 procent-regel bij consistentie?
De neiging om elk blokje in TrainingPeaks groen te willen kleuren is herkenbaar, maar volgens Ellen Ricke hoeft dat helemaal niet voor een optimaal resultaat. Ze stelt dat je bij een naleving van ongeveer 75 tot 80 procent van je schema al het overgrote deel van de beoogde progressie pakt.

Die laatste twintig procent levert in de praktijk vaak meer stress en risico op blessures op dan extra conditie. Jurgen vult aan dat deze nuance cruciaal is voor de duursporter die ook een baan en een gezin heeft; rust en flexibiliteit zijn ook een wezenlijk onderdeel van de training.

3. Wat is de grootste valkuil van het trainen met AI-gestuurde apps?
Ellen ziet dat apps en algoritmes een krachtig hulpmiddel kunnen zijn, maar ze missen vaak de context van het dagelijks leven. Een app ziet je hartslagvariabiliteit wel, maar weet niet dat je een emotioneel zware dag hebt gehad of slecht hebt geslapen door stress op je werk. Als je dan blind het advies van een algoritme volgt om toch die zware intervallen te doen, negeer je belangrijke signalen van je eigen lichaam.

De expert waarschuwt dat techniek de menselijke maat nooit helemaal mag vervangen; je eigen gevoel en gezonde verstand blijven bij consistentie de belangrijkste leidraad.

4. Wat levert een methode zoals een running streak op voor je regelmaat?
Luisteraar Jacco deelt zijn ervaring met de running streak, waarbij hij elke dag minimaal een kwartier loopt. Ellen Ricke ziet dat dergelijke simpele regels helpen om de beslis-stress weg te nemen: je gaat gewoon omdat het in je routine zit.

Toch waarschuwt ze voor de schaduwzijde. Wanneer de streak een doel op zich wordt, loop je het risico om door pijn of oververmoeidheid heen te trainen. Het is volgens haar een uitstekende manier om de drempel te verlagen, mits je eerlijk genoeg naar jezelf durft te zijn om te stoppen als je lichaam daar echt om vraagt.

5. Wat zijn volgens de wetenschap de meest effectieve manieren om gedrag te veranderen?
In plaats van te hopen op een plotselinge vlaag van motivatie, adviseert Ellen Ricke om te focussen op je directe omgeving. Motivatie is onbetrouwbaar, zeker op koude regendagen. Effectieve gedragsverandering zit hem in het verkleinen van de drempel, zoals je sportkleding alvast klaarleggen of afspreken met een loopmaatje.

Ellen wijst erop dat sociale controle en een goede klik met een coach veel krachtiger zijn dan welk schema dan ook. Door sporten de makkelijkste keuze van je dag te maken, houd je het op de lange termijn vol zonder dat het elke dag een gevecht wordt.

Video over onderzoeker Ellen Ricke over consistent trainen: hoe hou je het vol?

https://www.youtube.com/watch?v=ANRMDtnHxHo

Categorieën
Seizoen 13 Training en herstel

254. Mysterie: waarom pakt krachttraining zo divers uit bij sporters

Home » Afleveringen

Dit is de 254e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen het over:

De grote frustratie in het krachthonk

We herkennen het allemaal wel als we de sportschool binnenstappen. De een hoeft maar naar een halterstang te kijken en de mouwen van zijn shirt beginnen te knellen, terwijl de ander maandenlang zwoegt zonder dat er zichtbaar iets verandert. Als duursporter vraag je je dan weleens af of die uren tussen het ijzer wel zin hebben als de weegschaal en de spiegel nauwelijks uitslaan.

Jurgen dook in een recente Finse studie die precies deze variatie in krachttraining bij duursporters onder de loep nam. Het onderzoek bevestigt wat we in de praktijk al vermoedden: de verschillen zijn enorm. Sommige deelnemers zagen hun spiermassa met tien procent toenemen, terwijl anderen na een identiek programma letterlijk op nul uitkwamen.

Dat voelt misschien onrechtvaardig, maar je genen trekken zich blijkbaar weinig aan van je goede voornemens.

Waarom kracht meer is dan alleen een dikke spier

De grote vraag is natuurlijk of je als zogeheten non-responder dan maar beter kunt stoppen. Hier wordt het interessant, want spiermassa en kracht zijn twee verschillende dingen. Uit de data die Jurgen analyseerde, bleek dat de toename in pure kracht veel consistenter is dan de groei van de spier zelf. Bijna iedereen wordt sterker, ook de mensen bij wie je dat aan de buitenkant niet direct ziet.

Guido Vroemen benadrukte in ons gesprek dat we ons als fietsers of lopers vooral niet blind moeten staren op die omvang. Een tijdrijder hoeft geen enorme bodybuilder-benen te hebben om een enorm vermogen te trappen. Het gaat om de aansturing vanuit je zenuwstelsel en de specifieke kracht die je meeneemt naar je sport.

Dat is precies de nuance die je in de sportschool vaak mist, waar de focus toch vaak ligt op hoe je er in de spiegel uitziet.

Wat er overblijft na een trainingspauze

Een andere zorg die we vaak horen, is het verlies van al die moeizaam opgebouwde winst tijdens een vakantie of een blessureperiode. De Finse onderzoekers keken ook naar dit effect door de proefpersonen na hun trainingsperiode tien weken lang rust te geven. De spiermassa verdween in die periode grotendeels weer, wat natuurlijk even slikken is. Maar het goede nieuws is dat de opgebouwde kracht veel beter behouden bleef.

Bovendien bleek dat de proefpersonen na die pauze opvallend snel weer op hun oude niveau terug waren toen ze de draad weer oppakten. Dit heeft te maken met het spiergeheugen: eenmaal aangemaakte celkernen in de spieren blijven langdurig aanwezig. Een paar weken zonder gewichten is dus geen ramp voor je fundament. Je lichaam onthoudt het werk dat je hebt verzet, zelfs als de buitenkant tijdelijk wat minder indrukwekkend oogt.

Het belangrijkste is dat we stoppen met het vergelijken van onze eigen fysieke progressie met die van de persoon op het bankje naast ons. De wetenschap laat zien dat ieders lichaam een eigen plan trekt als het gaat om spiergroei, maar dat krachttraining voor bijna iedereen zinvol is. De winst zit hem in de belastbaarheid en de kracht die je mee naar de weg of het bos neemt.

Uiteindelijk gaat het erom dat we slimmer presteren in onze eigen sport, niet dat we de breedste zijn in de kleedkamer.

Praktische Take-aways

  • Gebruik krachttraining specifiek voor jouw doelstellingen, zoals Guido adviseert, in plaats van een algemeen bodybuilding-schema te volgen.
  • Focus tijdens je krachttraining op de toename in gewicht of herhalingen in plaats van op de omvang van je spieren; kracht is voor duursporters belangrijker dan massa.
  • Accepteer dat je genetische aanleg bepaalt hoe snel je reageert op training; als de resultaten uitblijven, ligt dat vaker aan je DNA dan aan je motivatie.
  • Maak je niet te druk over een trainingspauze van enkele weken; dankzij het spiergeheugen en de blijvende krachtwinst ben je sneller terug op niveau dan je denkt.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Wat zijn de belangrijkste oorzaken voor de enorme verschillen in spiergroei tussen sporters?
Jurgen legt uit dat genetica de doorslaggevende factor is. De Finse studie waar we het over hebben, laat zien dat sommige mensen simpelweg meer aanleg hebben voor hypertrofie, oftewel het groter worden van de spieren, dan anderen. Het is een soort genetische loterij. Zelfs bij exact hetzelfde trainingsschema zagen de onderzoekers dat de een tien procent aan spiermassa won, terwijl de ander op nul bleef steken. Dat is voor de zwoegende sporter frustrerend, maar het is een fysiologische realiteit waar we niet omheen kunnen.

2. Wat heb je aan krachttraining als je een zogeheten non-responder bent op het gebied van spiermassa?
Dit is een cruciaal punt dat Jurgen in de uitzending aanstipt om de boel te relativeren. Hoewel de groei van spiermassa heel grillig verloopt, stijgt de pure kracht bij bijna iedereen die traint. Voor ons als duursporters is dat eigenlijk heel goed nieuws. Guido Vroemen vult aan dat we meestal helemaal niet zwaarder willen worden door extra spiermassa. Zolang je sterker wordt en je zenuwstelsel de spieren beter leert aansturen, boek je progressie die je op de fiets of tijdens het lopen echt gaat merken.

3. Wat is het effect van een trainingspauze op de opgebouwde winst in de sportschool?
Jurgen haalde een onderzoek aan waaruit bleek dat spiermassa na tien weken volledige rust grotendeels verdwijnt, wat natuurlijk pijnlijk is om te horen. Maar er is een belangrijke nuance: de pure kracht bleef bij de proefpersonen veel beter behouden dan de omvang van de spieren. Het fundament dat je hebt gelegd, stort dus niet zomaar in. Zodra je na een vakantie of blessure de draad weer oppakt, merk je dat je veel sneller terug bent op je oude niveau dan toen je ooit begon.

4. Wat is de rol van het spiergeheugen bij het hervatten van de training na een rustperiode?
Het concept van spiergeheugen is geen fabeltje, zo legt Jurgen uit. Tijdens het trainen maak je nieuwe celkernen aan in je spiervezels. Als je stopt met trainen, wordt de spier weliswaar dunner, maar die extra celkernen blijven waarschijnlijk gewoon aanwezig. Ze staan als het ware in de stand-by modus. Zodra je weer met gewichten gaat smijten, zorgen deze kernen ervoor dat de eiwitproductie direct weer op gang komt. Je lichaam onthoudt dus het werk dat je eerder hebt verzet.

5. Wat raadt Guido Vroemen aan voor duursporters die specifiek willen trainen zonder zwaarder te worden?
Guido is daar heel nuchter in: train voor de functie, niet voor de spiegel. Hij ziet in zijn praktijk dat sporters vaak algemene schema’s volgen die gericht zijn op uiterlijk. Voor een triatleet of wielrenner is specifieke kracht echter veel belangrijker dan een dikke biceps. Guido noemt het voorbeeld van Jetze Plat, die enorm krachtig is maar niet onnodig zwaar. Focus je op de oefeningen die jouw sportprestatie verbeteren en vertrouw erop dat die krachtwinst er is, ook als je geen gram aankomt.

Video over mysterie: waarom pakt krachttraining zo divers uit bij sporters

https://www.youtube.com/watch?v=YNEkWO8r3bE

Categorieën
Seizoen 13 Winter Spelen 2026

Slimmer presteren op de 1500m schaatsen: waar moet je op letten?

Home » Afleveringen

Slimmer Presteren op de Winterspelen wordt mede mogelijk gemaakt door de Hersenstichting:

Kom in actie voor de hersenstichting
Welke sportieve uitdaging heb jij dit jaar op de planning? Maak jouw kilometers extra waardevol, door daarmee geld op te halen voor belangrijk hersenonderzoek.

Maak jouw actie aan via voordehersenstichting.nl

Dit is een bonus aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie op de Olympische Winterspelen in Milaan Cortina 2026. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen en Guido het over:

De fysiologische spagaat van de 1500 meter schaatsen

De Winterspelen in Milaan-Cortina 2026 lopen tegen het einde, maar het zwaarste nummer moet op het ijs nog komen. De 1500 meter schaatsen wordt niet voor niets het koningsnummer genoemd. Het is een afstand die geen specialisme toestaat; je moet alles kunnen. In de fysiologie praten we dan over een spagaat tussen het explosieve vermogen van een sprinter en de aerobe motor van een stayer.

Jurgen haalt vaak de beruchte Wingate-test aan om de intensiteit te duiden. Waar die dertig seconden op een fiets voor de meeste mensen al voelen als een bijna-doodervaring, moeten deze schaatsers die inspanning bijna drie keer zo lang volhouden. Het resultaat is een lactaatopbouw die zo extreem is dat het een wonder mag heten dat de techniek in de laatste buitenbocht nog ergens op lijkt.

Dat is precies waarom dit nummer zo verraderlijk is: je moet de grens opzoeken zonder er in de eerste duizend meter overheen te donderen.

Waarom de wereldrecords op de schaatsmijl bevroren lijken

Het is een punt waar we in de podcast met enige verwondering naar kijken: de wereldrecords op de 1500 meter schaatsen bij zowel de mannen als de vrouwen staan al sinds 2019. Ondanks alle data, betere pakken en innovatieve trainingsschema’s van de afgelopen jaren, blijven de tijden van Kjeld Nuis en Miho Takagi onaangetast.

Het voelt logisch om te denken dat we een fysiologisch plafond hebben bereikt, maar het ligt waarschijnlijk ingewikkelder. In Milaan zien we dat de omstandigheden op de baan en de tactische druk van de Spelen vaak zwaarder wegen dan pure snelheid.

Een fenomeen als Jordan Stolz kan wel de perfecte techniek hebben, maar op de schaatsmijl gaat het niet om wie de hoogste topsnelheid haalt. Het gaat om wie de minste schade oploopt. Het is de kunst van het verval minimaliseren op een moment dat je lichaam schreeuwt om zuurstof.

Pacing en de weerbarstige praktijk van zelfregulatie

Hoe bereid je een atleet voor op zo een gecontroleerde zelfmoord? Guido ziet in de praktijk dat het vaak misgaat bij de start. De verleiding is groot om, gedreven door adrenaline, te hard te openen. Maar de 1500 meter schaatsen win je niet in de eerste honderd meter; je verliest hem in de laatste vijfhonderd.

We zagen bij het alpineskiën dit weekend hoe arbitraire regels en mentale druk een race kunnen beïnvloeden, en dat is op het ijs niet anders. Pacing is meer dan een schema volgen; het is zelfregulatie onder extreme stress. Je moet durven ontspannen terwijl de verzuring intreedt.

Mark Tuitert liet in 2010 al zien dat een schijnbaar langzamere opbouw de weg naar goud kan zijn als je daarmee je techniek intact houdt. In een tijd waarin alles meetbaar lijkt, blijft de 1500 meter een herinnering dat sport uiteindelijk draait om menselijk gevoel en de discipline om niet te vroeg al je kruit te verschieten.

De schaatsmijl blijft de ultieme puzzel van de Winterspelen. Het is een afstand waarbij wetenschap en emotie elkaar raken in de laatste binnenbocht. Wij blijven kijken met een scherpere bril, want op deze anderhalve kilometer wordt het kaf van het koren gescheiden.

Praktische Take-aways

  • Succes op de schaatsmijl is vaak het resultaat van een conservatieve start; durf snelheid over te houden voor de laatste ronde om het verval binnen de perken te houden.
  • De 1500 meter schaatsen vraagt om een combinatie van een extreem hoog anaeroop vermogen en een fysiologische motor die de lactaatopbouw kan verdragen.
  • Staar je niet blind op wereldrecords op hoogte; op een laaglandbaan in Milaan wint de schaatser met de beste pacing en de minste technische afbraak.
  • Train op zelfregulatie door intervallen te rijden waarbij de focus ligt op een constante techniek onder vermoeidheid, in plaats van alleen op de eindtijd.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Wat maakt de 1500 meter schaatsen fysiologisch zo extreem?
Jurgen van Teeffelen legt uit dat de schaatsmijl een brug slaat tussen twee uitersten in de sportwetenschap. Je hebt de explosieve start van een sprinter nodig, maar moet die snelheid bijna twee minuten lang verdedigen met de motor van een stayer.

In de fysiologie vergelijken we dit vaak met een Wingate-test. Waar die dertig seconden op een fietsergometer voor de meeste mensen al als een marteling voelen, trekken deze schaatsers die inspanning door tot het drievoudige. Het resultaat is een lactaatopbouw die techniek en coördinatie tot het uiterste test terwijl de vermoeidheid genadeloos toeslaat.

2. Wat is de reden dat de wereldrecords op de 1500 meter al sinds 2019 bevroren lijken?
Het valt ons op dat de tijden van Kjeld Nuis en Miho Takagi ondanks alle technologische innovaties al jarenlang onaangetast blijven. Volgens Jurgen en Guido komt dit doordat wereldrecords vaak een zeldzame samenkomst zijn van perfecte omstandigheden, zoals de lage luchtdruk in Salt Lake City.

In de weerbarstige praktijk van een laaglandbaan zoals in Milaan verschuift de nadruk van pure topsnelheid naar efficiëntie en pacing. Het fysiologische plafond is misschien nog niet bereikt, maar de perfecte storm van 2019 is simpelweg niet meer voorbijgekomen op het ijs.

3. Wat leert de legendarische race van Mark Tuitert uit 2010 ons over moderne pacing?
Guido Vroemen benadrukt dat de gouden race van Mark Tuitert nog altijd het ultieme schoolvoorbeeld is van slimme zelfregulatie op het ijs. Tuitert won destijds niet door de snelste opening te rijden, maar door zijn verval in de beslissende laatste ronde tot een minimum te beperken.

Veel sporters laten zich in de praktijk nog steeds leiden door adrenaline en angst, waardoor ze te hard starten en in de laatste bocht volledig stilvallen. De les van Tuitert is dat je moet durven ontspannen in de eerste duizend meter om aan het eind nog techniek over te hebben.

4. Wat is de rol van zelfregulatie en RPE tijdens de schaatsmijl?
Jurgen legt uit dat een schaatser op de 1500 meter constant zijn gevoel van inspanning, ook wel de Rate of Perceived Exertion genoemd, moet managen. Het is een mentale balanceeract tussen de drang om te versnellen en de wetenschap dat elke extra versnelling je later in de race fataal kan worden.

Het gaat erom dat een atleet leert luisteren naar de signalen van het lichaam, zoals de opbouw van lactaat, zonder in paniek te raken. Topatleten gebruiken deze zelfregulatie om precies op de kritieke grens te balanceren tot ze de eindstreep passeren.

5. Wat kunnen schaatsers leren van de startprocedures bij het alpineskiën?
Tijdens de Spelen in Milaan zagen we veel discussie over de startregels bij het skiën, waarbij een startmoment soms willekeurig kan aanvoelen. Gerrit en Jurgen trekken de parallel naar het schaatsen, waar de focus vaak volledig op de fysieke data ligt, maar de mentale component van de start cruciaal blijft.

Het herinnert ons eraan dat topsport niet alleen een optelsom is van wattages en zuurstofopname, maar vooral draait om het bewaren van je koelbloedigheid onder druk. Wie zijn rust bewaart bij het vertrek, heeft een enorme voorsprong zodra de verzuring in de benen schiet.

Video over slimmer presteren op de winterspelen: 1500m schaatsen

https://www.youtube.com/watch?v=0FJWezYlfHg

Categorieën
Seizoen 13 Winter Spelen 2026

Slimmer presteren in het Skimo: de nieuwe sport van de toekomst?

Home » Afleveringen

Slimmer Presteren op de Winterspelen wordt mede mogelijk gemaakt door de Hersenstichting:

Kom in actie voor de hersenstichting
Welke sportieve uitdaging heb jij dit jaar op de planning? Maak jouw kilometers extra waardevol, door daarmee geld op te halen voor belangrijk hersenonderzoek.

Maak jouw actie aan via voordehersenstichting.nl

Dit is een bonus aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen en Guido het over:

De technologische wapenwedloop op het ijs van Milaan

De Winterspelen van Milaan-Cortina 2026 zijn in volle gang en we zien dat de strijd om de medailles steeds vaker in de windtunnel wordt beslist. Terwijl wij in Nederland hopen op de individuele klasse van atleten zoals Kimberley Bos of de pure snelheid van de schaatsers, valt ons op hoe groot de invloed van materiaal is geworden.

In sporten als skeleton en shorttrack zien we landen als Italië en Groot-Brittannië die de krachten bundelen met Formule 1-teams zoals Ferrari en McLaren. Het gaat niet meer alleen om wie de sterkste benen heeft, maar om wie de slimste aerodynamica heeft ontwikkeld.

Voor ons roept dat de vraag op of de pure sportman nog wel kan winnen van de ingenieurs. Het is een weerbarstige praktijk waarbij technologie de marges bepaalt, iets wat we ook steeds vaker terugzien in de duursporten op de weg.

Skimo als de nieuwe fysiologische meetlat

Later deze week debuteert een sport die onze fysiologische harten sneller doet kloppen: Skimo. Hoewel ski-alpinisme voor de gemiddelde Nederlander misschien klinkt als een mooie tocht door de bergen, laten de cijfers van Jurgen een heel ander beeld zien. Skimo is in feite een klimwedstrijd op ski’s waarbij tachtig procent van de uitslag bergop wordt bepaald.

We praten hier over een zuurstofopnamecapaciteit van boven de 80 bij de mannen en 70 bij de vrouwen. Dat zijn waarden die we normaal alleen zien bij de absolute wereldtop in het wielrennen of langlaufen. De uitdaging bij Skimo zit hem in de combinatie: je moet een enorme motor hebben om de hoogtemeters te overbruggen, maar ook de technische vaardigheid bezitten om na een razendsnelle wissel met bevroren vingers weer veilig af te dalen.

De wetenschap achter talent transfer naar de bergen

Nu Skimo een olympische status heeft, rijst de vraag of we onze Nederlandse schaatsers niet vaker de bergen in moeten sturen. Dat brengt ons bij het principe van talent transfer. Guido ziet vaak dat sporters denken dat een goede conditie in de ene sport direct succes garandeert in de andere, maar de realiteit is complexer.

Een omvangrijke studie van de HAN en de Universiteit Gent onder twaalfhonderd coaches laat zien dat sporten in clusters vallen op basis van fysiologische en coördinatieve eisen. Een explosieve schaatser als Jenning de Boo is een fenomeen op de sprint, maar de specifieke duurkracht voor Skimo vraagt om een heel ander profiel. Succesvol overstappen naar een sport als Skimo lukt alleen als de basisvaardigheden uit het Athletic Skills Model al in de jeugd breed zijn ontwikkeld.

Het is niet simpelweg een kwestie van een andere sport kiezen, maar van begrijpen of jouw motor en techniek passen bij de wetten van de sneeuw.

Of we nu kijken naar de aerodynamica in de ijsbaan of de brute zuurstofopname op de flanken van de Alpen, deze Spelen laten zien dat innovatie nooit stopt. We blijven de komende dagen kritisch kijken naar hoe de wetenschap zich vertaalt naar het podium, want in de topsport is stilstaan geen optie.

Praktische Take-aways

  • Een brede sportieve basis volgens het Athletic Skills Model vergroot de kans dat een sporter later succesvol kan switchen naar een nieuwe discipline zoals Skimo.
  • Materiaal en aerodynamica zijn in technische wintersporten inmiddels even bepalend voor winst als de fysieke gesteldheid van de atleet.
  • Skimo vereist een extreem hoge zuurstofopnamecapaciteit en een hoge anaerobe drempel omdat de race grotendeels bergop wordt beslist.
  • Talent transfer werkt het beste tussen sporten die in hetzelfde cluster vallen wat betreft fysiologische belasting en technische motoriek.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Wat maakt de nieuwe olympische sport Skimo fysiologisch zo extreem?
Volgens Jurgen van Teeffelen is Skimo, of ski-alpinisme, een sport die de absolute grenzen van het menselijk vermogen opzoekt. De sport wordt voor tachtig procent bergopwaarts beslist, wat betekent dat de zuurstofopnamecapaciteit de belangrijkste graadmeter voor succes is.

We zien bij de mannen waarden van boven de 80 en bij de vrouwen rond de 70. Dit zijn getallen die vergelijkbaar zijn met de wereldtop in het wielrennen en langlaufen. Het unieke aan Skimo is de combinatie: na een maximale inspanning bergop moet je direct technisch foutloos kunnen afdalen, terwijl de verzuring nog in je benen zit.

2. Wat is de invloed van de Formule 1 op de prestaties in de ijsbaan?
In de technische wintersporten zoals skeleton en shorttrack is materiaalonderzoek een bepalende factor geworden. Jurgen en Guido merken op dat grote landen als Italië en Groot-Brittannië nauwe samenwerkingen zijn aangegaan met Formule 1-teams zoals Ferrari en McLaren. Deze teams gebruiken hun expertise in aerodynamica en windtunnels om sleeën te ontwikkelen die de luchtweerstand tot een minimum beperken.

Voor een land als Nederland, dat meer leunt op individueel talent en kleinere budgetten, wordt het steeds lastiger om deze technologische achterstand in te halen, omdat het materiaal inmiddels een significant deel van de eindtijd bepaalt.

3. Wat leren we van de studie naar sportclusters over het wisselen tussen sporten?
Guido Vroemen verwijst naar een grootschalig onderzoek van de HAN en de Universiteit Gent onder twaalfhonderd coaches. Hieruit blijkt dat sporten ingedeeld kunnen worden in clusters op basis van achttien verschillende kwaliteiten, zoals kracht, uithoudingsvermogen en coördinatie.

Talent transfer is alleen kansrijk als een atleet overstapt naar een sport binnen hetzelfde cluster. Een schaatser heeft bijvoorbeeld een enorme explosiviteit, maar dat vertaalt zich niet automatisch naar de specifieke duurkracht die nodig is voor een sport als Skimo. Zonder de juiste basis uit het cluster blijft een overstap vaak steken op een gebrek aan specifieke efficiëntie.

4. Wat is de rol van het Athletic Skills Model bij het opleiden van wintersporters?
Het Athletic Skills Model (ASM) speelt een cruciale rol in het voorbereiden van sporters op de weerbarstige praktijk van verschillende disciplines. Jurgen legt uit dat een brede motorische ontwikkeling in de jeugd ervoor zorgt dat een atleet later makkelijker kan schakelen tussen sporten. In plaats van vroege specialisatie op het ijs, pleit het ASM voor een diversiteit aan bewegingsvormen.

Hierdoor ontwikkelt een sporter een soort fysiologische en coördinatieve flexibiliteit. Dit verklaart waarom sommige atleten ogenschijnlijk moeiteloos van de schaatsbaan naar de bergen kunnen overstappen, terwijl anderen die enkel specifiek getraind zijn, daar veel meer moeite mee hebben.

5. Wat zijn de grootste valkuilen bij een overstap van schaatsen naar Skimo?
De grootste valkuil is het onderschatten van de specifieke technische eisen in de sneeuw. Guido ziet vaak dat schaatsers wel over de juiste motor beschikken, maar de techniek van het klimmen op vellen en het razendsnel wisselen van materiaal niet beheersen. Bij Skimo win je de race bergop, maar kun je hem verliezen in de wissels en de afdaling.

Een topschaatser als Jenning de Boo is extreem krachtig op het vlakke ijs, maar de mechanica van een steile berghelling vraagt om een andere belasting van de spieren. Een succesvolle transfer vereist daarom niet alleen conditie, maar ook een jarenlange investering in de technische ‘skills’ van de nieuwe sport.

Video over slimmer presteren op de winterspelen: SKIMO

https://www.youtube.com/watch?v=bLbpPCvdQ6s

Categorieën
Interview met gast Seizoen 13 Winter Spelen 2026

253. Slimmer presteren met aerodynamica op het ijs in Milaan volgens expert Wouter Terra

Home » Afleveringen

Slimmer Presteren op de Winterspelen wordt mede mogelijk gemaakt door de Hersenstichting:

Kom in actie voor de hersenstichting
Welke sportieve uitdaging heb jij dit jaar op de planning? Maak jouw kilometers extra waardevol, door daarmee geld op te halen voor belangrijk hersenonderzoek.

Maak jouw actie aan via voordehersenstichting.nl

Dit is de 253e aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen het over:

De onzichtbare muur: Hoe Wouter Terra aerodynamica tastbaar maakt

Wanneer we naar de Winterspelen in Milaan kijken, zien we topsporters die ogenschijnlijk moeiteloos door de lucht snijden. Maar schijn bedriegt. Bij snelheden boven de 50 kilometer per uur en bij skeleton zelfs ver daarboven is de lucht geen ijle ruimte, maar een stroperige muur waar je tegenaan beukt. In deze aflevering duiken we met aerodynamica-expert Wouter Terra van de TU Delft in de techniek achter de records.

Van bellen blazen naar gouden plakken

Het klinkt bijna kinderlijk: helium-zeepbelletjes loslaten op de ijsbaan van Thialf. Toch is dit de basis van de Ring of Fire, een geavanceerd meetsysteem dat de luchtstroom rondom een schaatser letterlijk in beeld brengt. Voorheen vertrouwden we vooral op windtunnels met stilstaande poppen, maar de werkelijkheid op het ijs is grilliger. De beweging van de schaatser beïnvloedt de lucht, en die lucht beïnvloedt de schaatser weer.

Een opvallend inzicht uit het onderzoek van Wouter is de positie van de handen. Door simpelweg je handen op je rug te leggen in plaats van los op je zij, kun je de luchtweerstand met wel 5 procent verlagen. Voor een olympisch schaatser is dat vaak het verschil tussen het podium en de anonimiteit.

Het trommelvel-effect in je schaatspak

We hebben het vaak over gladde pakken, maar de wetenschap achter de stoffen van de Nederlandse ploeg gaat veel dieper. Wouter legt uit hoe het zogenaamde trommelvel-effect werkt. Door de juiste spanning en textuur op specifieke plekken van het lichaam aan te brengen, gaat de stof op een gecontroleerde manier trillen. Dit beïnvloedt de grenslaag van de lucht, waardoor de luchtstroom langer aan het lichaam vastplakt en de zuigende werking achter de sporter, de drag, afneemt.

Deze technologie zagen we eerder al terug bij de aerodynamische sleeves van hardloper Niels Laros, waar we in aflevering 195 uitgebreid bij stilstonden. Het bewijst dat aerodynamica in de sport universeel is: de wetten van de fysica stoppen niet bij de rand van de ijsbaan.

CdA-waarde: De heilige graal voor de fietser

Hoewel Wouter veel tijd doorbrengt in de schaatstunnel, ligt zijn passie ook bij het wielrennen. Voor de gemiddelde wielrenner is de CdA-waarde, de luchtweerstandscoëfficiënt Cd vermenigvuldigd met het frontaal oppervlak A, vaak een abstract getal. Wouter probeert dit te democratiseren.

In de podcast bespreken we zijn werk aan een generiek model van een wielrenner. Waar fabrikanten en profploegen hun data vaak voor zichzelf houden, helpt dit model om algemene principes te delen zonder privacy-issues. Wat blijkt? De interactie tussen je helm, je houding en zelfs je rugzak bepaalt je snelheid veel meer dan die ene dure carbon wielset.

Slimmer dan de wind

De wetenschap van Wouter Terra laat zien dat aerodynamica geen mysterieuze kracht is waar je alleen met een miljoenenbudget grip op krijgt. Het gaat om het zichtbaar maken van het onzichtbare. Of het nu gaat om de helium-bellen in Thialf of een 3D-geprinte replica van een skeletonster: het doel is steeds om te begrijpen hoe lucht zich gedraagt als het jouw lichaam raakt.

Voor de sporter thuis is de les simpel. Je hoeft niet direct een windtunnel in om sneller te worden. De strijd tegen de luchtweerstand begint bij bewustwording van je eigen houding en materiaal. Of je nu in Milaan voor goud strijdt of op een doordeweekse avond je eigen PR op de fiets probeert aan te scherpen: de lucht is er altijd, maar je hoeft er niet blind tegenaan te blijven beuken.

Praktische Take-away

Wil je zelf aan de slag met aerodynamica zonder direct een windtunnel te huren? Let dan op deze drie zaken:

Hoofdhouding: Je helm werkt alleen als je hoofd in de juiste positie staat. Kijk niet alleen naar de grond, maar zoek de lijn waarin de lucht over je rug wegstroomt.ging waarin wetenschap en praktijk voortdurend in dialoog blijven.

Handpositie: Op de weg of op het ijs, je handen zijn vangers van lucht. Berg ze op of houd ze compact.

Kledingspanning: Wapperende shirts zijn remparachutes. Een strak pak dat goed aansluit bij je schouders is de goedkoopste winst.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

Wat maakt de Ring of Fire in Thialf zo bijzonder voor het onderzoek naar aerodynamica?
Wouter Terra legt ons uit dat we voorheen vooral naar statische situaties in windtunnels keken. Met de Ring of Fire, waarbij honderdduizenden met helium gevulde zeepbelletjes door de lucht zweven en door camera’s worden gevolgd, krijgt hij een uniek beeld van de werkelijke luchtstroom rond een bewegende schaatser.

Wouter benadrukt dat juist die interactie tussen de schaatser en de lucht cruciaal is om te begrijpen waar de winst zit. Het is een noodzakelijke stap van theoretische modellen naar de weerbarstige praktijk op het ijs.

Wat is het voordeel van de specifieke handpositie die Wouter in zijn onderzoek noemt?
Tijdens ons gesprek met Wouter komt een verrassend simpel inzicht naar boven: je handen zijn een van de grootste boosdoeners als het gaat om luchtweerstand. Volgens de berekeningen van Wouter kan het strak op de rug leggen van de handen in plaats van ze losjes aan de zijkant te houden, de weerstand met maar liefst 5 procent verlagen.

Wouter stelt dat dit soort details vaak meer impact hebben dan duurder materiaal. Het laat zien dat aerodynamica voor een groot deel gaat over het verkleinen van je frontaal oppervlak en het optimaliseren van je houding.

Wat houdt het trommelvel-effect in bij de ontwikkeling van moderne schaatspakken?
Wouter neemt ons mee in de techniek achter de nieuwste pakken van de Nederlandse ploeg. Hij spreekt over het trommelvel-effect, waarbij de stof op strategische plekken onder een specifieke spanning wordt gezet. Hierdoor gaat de stof gecontroleerd trillen, wat ervoor zorgt dat de luchtstroom langer aan het lichaam blijft kleven.

Dit verkleint de zuigende werking achter de sporter. Wouter benadrukt dat een pak niet alleen glad moet zijn, maar juist de juiste textuur moet hebben om de grenslaag van de lucht gunstig te beïnvloeden.

Wat is de meerwaarde van het generieke model van een wielrenner waar Wouter aan werkt?
In de wielersport houden ploegen hun data over aerodynamica vaak voor zichzelf. Wouter ontwikkelde daarom een generiek model dat de principes van luchtweerstand inzichtelijk maakt zonder bedrijfsgeheimen te schenden. Hij legt ons uit dat dit model helpt om te begrijpen hoe de interactie tussen de renner, de fiets en accessoires zoals een rugzak werkt.

Wouter ziet dit als een manier om wetenschappelijke kennis breder toegankelijk te maken, zodat ook amateurwielrenners begrijpen waarom bepaalde aanpassingen in hun houding wel of niet effectief zijn.

Wat is de belangrijkste les die een recreatieve sporter kan trekken uit het werk van Wouter?
Volgens Wouter staart de gemiddelde sporter zich te vaak blind op dure gadgets, terwijl de grootste winst in de basis ligt. Hij adviseert ons om vooral kritisch te kijken naar kleding en houding.

Wapperende kleding fungeert als een remparachute en een verkeerde hoofdhouding kan je aerodynamische voordeel in één klap tenietdoen. Wouter stelt dat slimmer presteren begint bij het begrijpen van de lucht als een muur waar je met een compacte vorm en strakke materialen zo efficiënt mogelijk doorheen moet snijden.

Video over slimmer presteren met aerodynamica op het ijs in Milaan volgens expert Wouter Terra

https://www.youtube.com/watch?v=QCj-cDCoFx4

Categorieën
Seizoen 13 Winter Spelen 2026

Hoe gevaarlijk zijn de Olympische Winterspelen echt volgens de wetenschap?

Home » Afleveringen

Slimmer Presteren op de Winterspelen wordt mede mogelijk gemaakt door de Hersenstichting:

Kom in actie voor de hersenstichting
Welke sportieve uitdaging heb jij dit jaar op de planning? Maak jouw kilometers extra waardevol, door daarmee geld op te halen voor belangrijk hersenonderzoek.

Maak jouw actie aan via voordehersenstichting.nl

Dit is een bonus aflevering van de Slimmer Presteren Podcast, over sport, onderzoek en innovatie. In deze aflevering hebben Gerrit, Jurgen en Guido het over:

Sneller, hoger, spectaculairder: en ook gevaarlijker? Slimmer presteren op de Winterspelen

De Olympische Winterspelen zijn niet alleen een spektakel van snelheid en vaardigheid, maar ook een arena waar de risico’s en gevaren van extreme sporten onder de loep worden genomen. Jurgen en Gerrit duiken in de cijfers en trends van blessures, waarbij ze de balans zoeken tussen risico’s nemen en een bewuste aanpak van blessures.

Guido voegt hieraan toe dat de praktijk vaak complexer is dan de theorie, en dat de ervaring van atleten en trainers een cruciale rol speelt in het begrijpen en minimaliseren van deze risico’s.

In deze aflevering bespreken we niet alleen de impact van blessures op sportcarrières, maar ook de effectiviteit van alternatieve behandelmethoden. Guido benadrukt dat hoewel sommige technieken nog niet volledig evidence-based zijn, ze in de praktijk vaak waardevol blijken.

Samen onderzoeken ze hoe we de gezondheid van atleten kunnen prioriteren zonder de essentie van de sport te verliezen, en hoe een kritische blik en gedeelde kennis kunnen bijdragen aan veiligere sportomstandigheden.

Bij de Olympische Spelen lijkt alles soms spectaculair en snel, maar onderzoek suggereert dat de risico’s en blessures in topsport niet zo simpel zijn als ze vaak voorgesteld worden.

Jurgen brengt een wetenschappelijke blik aan, en neemt je mee langs studies over blessureincidentie, de ontwikkeling van sportveiligheid, en de invloed van het gebruik van beschermende middelen. We bespreken bijvoorbeeld dat het aantal blessures bij extreme sporten wel degelijk toeneemt, maar dat de interpretatie van die data afhankelijk is van definities en de context waarin sporten worden beoefend.

Deze aflevering is vooral geschikt voor sporters, trainers, medici en iedereen die de ‘echte’ risico’s in de sport wil begrijpen en niet meegaat in overdreven verhalen. Het vormt een uitnodiging om sport en veiligheid niet te zien als simpel zwart-wit, maar als een complexe uitdaging waarin wetenschap en praktijk voortdurend in dialoog blijven.

Vragen die in deze aflevering worden beantwoord zijn:

1. Hoe gevaarlijk zijn de Olympische winterspelen eigenlijk?
De vraag is of de winterspelen inderdaad gevaarlijker zijn dan andere sporten en hoe dat in verhouding staat tot de werkelijkheid. Jurgen suggereert dat de incidentie van blessures waarschijnlijk hoger is bij extreme sporten en nieuwe disciplines, maar dat het nooit helemaal statistisch eenduidig kan worden vastgesteld. Gerrit merkt op dat blessures altijd aanwezig zijn, maar dat een deel van de risico’s – zoals snelle valpartijen of sportspecifieke incidenten – inherent aan de sport blijven.

In praktijk betekent dat we moeten kijken naar de context en niet meteen spreken van een gevaar dat buitenproportioneel is. Het gevaar is waarschijnlijk realistisch, maar niet zo extreem dat het niet binnen de normale sportrisico’s past.

2. Wat zegt de wetenschap over het risico op blessures en hoe dat zich ontwikkelt?
Jurgen licht toe dat recente studies laten zien dat blessures bij topatleten niet heel verschillend lijken te zijn over meerdere Olympische Spelen, maar dat het gemiddelde incidentieverhoogd kan zijn door nieuwe disciplines en hogere snelheden. Daarnaast wordt het risico op blessures in de jeugd en bij recreatief sporten geraamd op zo’n 30 procent per jaar, afhankelijk van de sport en blessures. Gerrit vult aan dat de meeste blessures kneuzingen en verstuikingen zijn, met een relatief klein percentage ernstigere blessures.

In de praktijk zien we dat vooral de ontwikkeling van de sport en technologische verbeteringen op termijn mogelijk blessures kunnen verminderen, maar dat het risico nooit volledig weg te nemen is. Preventie en goede begeleiding blijven daarom essentieel.

3. Hoe verhouden blessurecijfers zich tot andere sporten en is de focus op blessurepreventie terecht?
Jurgen geeft aan dat Olympische sporten als snowboarden, freestyle skiën en slope style een incidentie van rond de 30 procent hebben. Hij waarschuwt dat dat niet betekent dat blessures onvermijdelijk zijn, maar dat ze de risico’s van extreme sporten onderstrepen. Gerrit benadrukt dat in veel sporten de verwachting is dat blessures voorkomen, maar dat het niet altijd makkelijk is ze volledig te voorkomen zonder stop te zetten of de sport anders in te richten.

Wat verandert indien men dit serieus neemt? Het onderstreept dat blessures onderdeel vormen van topsport en dat ultieme preventie onrealistisch is. Het focus moet eerder liggen op het goed managen van risico’s en het aanpassen van technieken en uitrusting, zonder dat dat de sport zelf op zich tenietdoet.

4. In hoeverre zijn medische en technische interventies effectief gebleken bij blessures in topsport?
Jurgen wijst erop dat de wetenschap aangeeft dat de meeste blessures, zoals scheuren en verstuikingen, hersteld kunnen worden binnen 11 maanden, met een zeer hoog slagingspercentage. Gerrit illustreert dat verschillende medische technieken, zoals het gebruik van hammer en beitel, onderbouwd worden met wetenschappelijke literatuur, maar dat de toepassing ervan altijd kritisch bekeken moet worden. Gido deelt dat praktijk en wetenschap soms verschillend zijn, en dat de bewijskracht voor sommige behandelingen beperkt blijft.

In praktijk betekent dit dat medisch herstel doorgaans succesvol is, maar dat het verrichten van onorthodoxe behandelingen zonder goede bewijsbasis riskant en mogelijk contraproductief kan zijn. Een gezonde twijfel blijft geboden.

5. Wat zeggen de gegevens over de invloed van mentale en fysieke conditie op blessure- en incidentenrisico?
Jurgen laat zien dat veel blessures en ziekmeldingen bij topsporters gerelateerd zijn aan fysieke en mentale belasting. Gerrit voegt toe dat kleine lichamelijke klachten of mentale spanning een grote invloed kunnen hebben op de prestatie en het risico op blessures. Verder wordt beschreven dat veel atleten niet volledig topfit zijn, wat het risico op blessures verhoogt.

In praktijk betekent dat aandacht voor mentale gezondheid en goede ziekte- en blessurepreventie niet ondergeschikt moet zijn. Het regelmatig monitoren van de fysieke en mentale gesteldheid van atleten kan uitdoving en nieuwe blessures voorkomen of uitstellen.

Video over slimmer presteren op de winterspelen: gevaar

https://www.youtube.com/watch?v=CjJ_Y2tXrr0